Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn nog niet in den tijd, dat saecularisatie van geestelijk goed als middel tegen deze kwaal aangewend wordt. Wel tracht het volk soms op onrechtmatige wijze den grond van geestelijken voor hen waardeloos te maken, zooals blijkt uit een klacht van „capitulum et clerus" te Utrecht in 1296, dat de burgerij hen verhindert op hun eigen terreinen te bouwen en zelfs om de reeds daar staande huizen te herstellen '). Voor 't overige evenwel moest men zich ertoe bepalen aan de vermindering der wereldlijke erven zooveel mogelijk paal en perk te stellen2). Het zou vermoeiend zijn de ordonnanties op te sommen, die in de keurboeken van bijna elke stad voorkomen, waarbij het schenken en verkoopen van grond en huizen (ook van renten daarop) aan geestelijken verboden, het door erflating overdragen van onroerend goed aan hen bemoeilijkt of voorkomen werd 3). Geërfd goed moest na den dood van den geestelijken bezitter weer aan zijn wereldlijke erfgenamen komen — ook wel mochten dezen het nog bij zijn leven tegen taxatieprijs lossen — of moest binnen een bepaalden tijd verkocht worden. Privileges in dezen zin waren van den landheer niet moeilijk te krijgen. Ook hij voor zich voelde zich herhaaldelijk gehinderd door den vrijdom van lasten van den geestelijken stand en bovendien zag hij ongaarne de financieele draagkracht der steden verzwakken. De verbittering, welke het volk gevoelde over den toenemenden omvang der geestelijke eigendommen, blijkt het best in Utrecht. Reeds in het „Liber albus" van 1340 was verboden erven te geven of te verkoopen aan geestelijken 4). Dit was evenwel niet afdoende geweest en in 1346 beval de raad, dat alle onroerende goederen, die daarna in geestelijke handen gekomen waren, weer „in der weerliker hant ende tot weerliker nutscap" gebracht zouden worden, terwijl bovendien het oude verbod vernieuwd werd 5). Ook te vergeefs 6). Doch in 1455

IV, blz. 906 (1430). In 1328 beloofde de commandeur yan het Duitsche huis te Tiel niet meer dan 24 morgen en 40 'tt* tijns binnen Tiel en Zandwijk aan zich te zullen brengen: Rechtsbr. v. Tiel, ed. J. S. van Veen, 1901 (O. vad. Rechtsbr. II»), blz. 43.

1) Brom, Bullarium I, n". 420.

2) In Haarlem zocht men te bewerken, dut de welvaart der kloosters tenminste niet aan vreemdelingen ten goede zou komen, door te bepalen, dat alleen poorters of poorterekinderen daarin opgenomen moohten worden: Van Mieris, IV, blz. 854 (1426). In de drie vrouwenkloosters te Zutfen, Isendoern, Wolfshues en Addemans, moohten alleen burgerdochters ingekleed worden : Rechtsbr. v. Zutfen, blz. 121 (1408).

3) Ik noem slechts in Holland een dergelijk verbod aan het Duitsche huis te Leiden gedaan in 1268, omdat het een van de oudste mij bekende is (Van d. Bergli, II, n°. 196), en verwijs verder naar de Stadboeken en Stadsrechten, uitgegeven onder de Bronnen voor het Oude Vaderl. Recht, onder de Stadregten van Overijsel en in de Nieuwe serie der Nieuwe Bijdragen voor Rechtsgeleerdh. en Wetgeving.

4) Art. 21 : Rechtsbr. v. Utrecht, I, blz. 18.

5) Die Roese, art. 255: Ib., blz. 362.

6) Ontduiking was zeer moeilijk te oontroleeren, wanneer een niet te wraken

Sluiten