Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trouwens eerst de hervorming heeft een einde gemaakt aan deze voortdurende geschillen over den grond. De omvang er van, de grieven over de wijze van exploitatie en over de vrijheid van lasten hebben er sterk toe meegewerkt, om de stedelingen voor de reformatie ontvankelijk te maken l).

Had de stad tegen het geestelijk bezit kunnen optreden, door zelf een deel van den grond te koopen? Het zou dan moeten zijn bij wijze van praeventieve maatregel. Door overreding kon eene geestelijke stichting er niet licht toe gebracht worden om, wat zij reeds had, voor geld af te staan en men zou dit slechts door eene gewelddadige onteigening kunnen bewerken. Zou dit bovendien reeds buitengewone financieële offers vragen, nog meer kosten zou vergen een soort van grondnationalisatie om een modern en hier niet volkomen juist woord te gebruiken. Of een dergelijk stout plan wel — zij het dan ook maar gedeeltelijk — tot uitvoering gekomen is, daarvan is ons geene aanwijzing bewaard in die bronnen, welke in dezen ten slotte het beslissende woord moeten spreken nl. in de stadsrekeningen. Ik heb hier alleen het oog op geestelijk bezit dat de heerlijke eigendom niet zoo drukkend was, dat hij de stad tot een krachtig ingrijpen kon nopen, is reeds voldoende gebleken.

Nu zijn het evenwel juist stadsrekeningen, welke K. Th. v. InamaSternegg in zijn standaardwerk over de „Deutsche Wirtschaftsgeschichte" aanleiding gegeven hebben tot de gedachte, dat de steden zelf grond hebben trachten te krijgen om den burgers bouwgrond in dien vorm te verschaffen, dat daarin geene grondheerlijke aanspraken op het stadsgebied of op de stadsbewoners doordrongen, of rechtsvormen van het onroerend bezit ontstonden, welke de stadsvrijheden konden bedreigen. Tevens zou zij den stadsbewoners op gemakkelijke condities terrein voor hunne huizen beschikbaar hebben willen stellen en zoo toezicht op de toeneming en de aard der burgerij houden *). Hoe evenwel juist de grondheerlijke rechten op het stadsgebied verdwenen zijn, is reeds medegedeeld; dat zij zich uitbreidden over de bewoners, daarvan is geen bewijs: eer namen zij af. Dat de stad veel liberaler zou kunnen zijn in de pachtbepalingen bij de uitgifte van grond dan de stadsheer, is niet wel denkbaar en of de geestelijkheid de huurconditiën lastig maakte, is onbekend. Deze grieve wordt niet vermeld; wel dat deze haar grond niet in pacht gaf aan burgers. En de houdbaarheid van de geheele stelling wordt zeer gering, wanneer wij opmerken, dat zij steunt op de rekeningen van Aken 3). In 1344 ontvangt die stad aan erftijns 211.8 Mark, in 1373 aan erftijns, winkel- en huishuur 428.10 M., in 1385 1290.3 M., in 1387 1397-9 M., in 1391 1668 M., in 1394 1581.4 M. Nu wordt de

1) Hierover ook L. t. Ranke, Deutsche Gesch. im Zeitalter der Keformation, 3e Ausg., I, S. 195.

2) Deutsche Wirtschaftsgeachiohte III', S. 190 f..

3) Aachener Stadtrechnungen aus dem 14™ Jahrh., herausg. von J. Laurent (1864).

Sluiten