Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijskracht aan die opgaven wel eenigszins ontnomen door des schrijvers eigen mededeeling, dat ze, van 1373 af gerekend, maar respectievelijk 1.3%, 2.6%, 3%, 3,5% en 2.7 % van het totaal der inkomsten bedragen. Nu is in deze percentenberekening terecht de erftijns van het jaar 1344 niet opgenomen. Een brand, waarop in de rekeningen gewezen wordt door den post: de empcione arearum conbustarum, zal toen wel de ontvangsten gedrukt hebben. Doch in de volgende jaren zou niet de relatieve, maar wel de absolute hoogte der erftijnsen aanmerkelijk gestegen zijn; tusschen 1373 en 1385 maken zij een sprong van ruim 428 M. tot ruim 1290 M. '). Deze is evenwel slechts schijnbaar. In de rekening van 1385 staat onder den erftijns de opbrengst van 21 winkeltjes („gademen") ad 719 M. 9 d. en van 7 huizen ad 145.3 M. Deze komen niet voor onder hetzelfde hoofd in 1373. Ontleedt men de hier besproken „Sammelposten", „census civitatis" op de genoemde jaren verder nauwkeuriger, dan ziet men zelfs, dat er aan erftijns in 1373 363.9.4 M., in 1385 391.3.4 M. ontvangen werd. Hieruit blijkt, dat het tijnsbezit zich weinig, maar dat de bewuste post zich sterk uitgebreid heeft. Voorts dient nog te worden opgemerkt, dat het volstrekt niet zeker is, of hier onder erftijns in alle gevallen te verstaan is: grondtijns. Het eenige, wat op het eerste gezicht pleit voor de hier bestreden opvatting, is, dat er in 1344, zooals reeds gezegd is, eene „empcio arearuni conbustarum" plaats vindt, waarnevens vermeld wordt eene „redempcio census" 2). Het tijdstip om de hand te leggen op een groot deel van den stadsgrond en liet reeds verworvene van lasten te bevrijden, zou ontegenzeggelijk gunstig gekozen zijn, nu een brand velen had doen verarmen. Bij nader toezien blijkt evenwel, dat slechts 3 areae (voor 131 M.) en 2 huizen (voor 437 M.) gekocht zijn en dat slechts van 12 stadshuizen de tijns afgelost is (32 M. 6 5'/, d. voor ± 400 M.). Het stadsgrondbezit is dus weinig toegenomen en de som der jaarlijks door haar verschuldigde tijnsen weinig geslonken: de „heriditarie soluciones , ruim 84 M. in 1344, blijven in de volgende jaren bijna even hoog, zelfs eene rente van 5 (S op het „domus civium" is daarop blijven rusten. Naast deze duidelijke aanwijzingen bevat het besproken hoofdstuk uit de rekening van 1344 nog eenige onverstaanbare specificaties, welke een toenmalig Akenaar wel helder geweest zullen zijn3), maar die ons geen beletsel behoeven te wezen,

1) 12;>5.7.1 M., volgens optelling der sommen, waaruit de post samengesteld is.

2) Laurent, 1.1. S. 143—146.

3) Het slot van de post luidt: „Summa premissorum, empcionis arearum et redempcionis census, 2043.3.31 2 M.", dus vrij wat meer, dan door mij daaruit vermeld is. Er bevinden zieh ook heterogene elementen in, zoo bijv. eene belooning voor de helpers bij het blusschingswerk. Onvertaalbaar is voor mij: de aoie domus empta 70 M., de acie platee empta 50 M." Ik kan „aoies domus" of „acies platee" niet anders weergeven dan met rooilijn, en deze koopt men toon niet.

Sluiten