Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze aanduiding om de aandacht te vestigen op het motief, dat de steden er toe bracht om den omtrek in meerdere of mindere mate tot haar eigendom te maken.

Reeds vroeger is er terloops over gesproken, dat de middeleeuwsche stad nog steeds sterke agrarische elementen bevatte. Niet alleen, dat er landbouwers en veeboeren binnen hare muren woonden, ook vele van de gewone burgers voorzagen zelf in die behoeften, welke het stedelijk handwerk niet bevredigen kon. In de „koolhoven" buiten de grachten verbouwden zij hunne groenten, door een kleine veestapel voorzagen zij zich zelf zoo niet van vleesch, dan toch van zuivelproducten. In vele steden komt onder de beambten voor de stadsherder, onder wien alle burgers, tenzij zij bijzonder geprivilegieerd waren, hun vee moesten stellen, dat op de stadsweide graasde. Het aantal koeien, dat in 1362 op de Deventer weide liep, bedroeg blijkens de opbrengst van extra-belasting op deze beesten 783, in het volgende jaar werden 848 koeien, in 1414 1117 koeien van het stedelijk brandmerk voorzien om tot de beweiding van de inarkegronden te worden toegelaten '). Varkens kon men in ons land, wegens het ontbreken van groote eikenwouden, minder goed houden dan in sommige Duitsche steden, zooals Frankfort a. M., waar nog in 1497 668 zwijnen van burgers in het boscli gingen2). In Nijmegen evenwel konden door de nabijheid van het Nieder-Reichswald nog al wat van die dieren gefokt worden. Een stadskeur bepaalde, dat geen burger er meer dan acht, geen brouwer meer dan twaalf zou mogen houden 3). Bakkers, brouwers en molenaars hielden nog meer vee dan de gewone poorters en hadden ook in die mate grooter behoefte aan een weidegelegenheid4). En al behoefden de inwoners der stad deze niet geregeld voor eigen vee, voor de stedelijke veemarkt alleen was zij wel noodig 5). Behalve over een weide, moest men kunnen beschikken over een voldoenden voorraad hout voor den bouw van huizen en als brandstof. Waar de bosschen ontbraken, trachtte men voor het laatste doel de hand te leggen op veengrond. Stroomend water werd ver-

1) Cameraararekeningen van Deventer III', blz. 2G0, 150; H. Kronenberg, De Deventer weiderechten, 1902, blz. 104.

2) K. Biioher, Die Bevölkerung von Frankf. a. M. im 14. u. 15. Jahrh., 1886, S. 283.

3) Stadrechten van Nijm., ed. C. C. N. Krom en M. S. Pols, 1894 (O. Vad. Kechtsbr. I"), blz. 28. Ook in Deventer, waur men geen bosch had, kon in 1362 toch een retributie „de oustodia porcorum" geheven worden: Cam. Rek. III1 blz. 151.

4) Inama St., D. Wirtachaftsgesch. III', S. 192. Zelfs de stad zelf meatte wel varkena op hare molens; Lübeok op vrij groote schaal blijkens de daarmee verdiende sommen: Lüb. Urk. VII, S, 401 f.

5) Daarop alaat waarschijnlijk eene bepaling omtrent de stadsweide te Spiers :....

U

die geste (vreemdelingen) sollent och mit ir vihe varn ufe die weide zu denziln uud bi den penen, also bisher gehalten ist: Speir. Urkb., S. 172 (1303).

Sluiten