Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sporen van marken meenen op te merken in de hemrikken. De stelling, dat een liemrik een mark zou zijn, steunt in de eerste plaats op een etymologisch bewijs. Dat liet tweede lid van dit woord het woord mark bevat, valt niet te ontkennen; „hemmerke", „hummerke" en andere vormen stellen dat buiten twijfel. Maar of mark, dat oorspronkelijk grens beduidt en later allerlei daaruit afgeleide beteekenissen (landstreek in 't algemeen, grensland, gemeene grond) aangenomen heeft, hier juist beantwoordt aan mark in den tegenwoordigen zin, is een vraag, die alleen door gissing opgelost kan worden.

Vervolgens worden door Acker Stratingh aangevoerd eenige plaatsen uit het Friesche sclioutenrecht, waar sprake is van de verdeeling van een liemrik. De eenige plaats, die hier zou dwingen aan een marke te denken is die, waar gezegd zou worden, dat die verdeeling om de vier jaar geschiedde. Dit staat tenminste in de vertaling te lezen, die de uitgevers en naar hen Acker Stratingh ervan geven; mijns inziens in het origineel niet'). Ik versta dit artikel anders en meen dat er sprake is van land, dat i n het vierde jaar, niet o m het vierde jaar verdeeld kan worden. En dan zou liemrik veeleer beteekenen land, dat nieuw drooggemaakt is en de eerste jaren gemeenschappelijk gebruikt wordt. Dit komt volkomen overeen met de twee artikels uit het Wester-Lauwersch Landrecht, ook door Aclter Stratingh aangehaald, waar gezegd wordt, dat een liemrik, zoo niet steeds door een weg, dan wel altijd wordt omgeven door eene sloot, die minstens acht voeten wijd moet zijn 2). Het voorschrift omtrent die wijdte laat zich slechts verklaren uit eene bestemming als afwateringssloot, niet als grensscheiding. In alle aangehaalde wetsvoorschriften blijkt niets van een gemeenschappelijk gebruik. Acker Stratingh spreekt dan ook van gemeenschappelijke

1) Hot artikel, Van helghene en liofguede to delane (§ 31) : Dit is riuclit, dut oen da himrick, deer dis santis (des Heiligen) en dis koninges ende des huismannes land oen lenth ende leyt, dat hyt dis fiarda ie ris dela moet, alsoe feer dat di clagere deer se, deer dat oppe dae heigen bringe (bij de Heiligen zweert), dat dyo ieertale omcoinmen si, ende hyt mitmarariucht dela schil, dan hit lange ra aldus oendeeld staen schil etc. „Dis fiarda ieria" wordt vertaald met: om de vier jaar ; „ende hyt mit mara riuclit" enz. met: en hij het met meer recht zal deelen, dan dat het langer dus ongedeeld zal blijven. Dit bevat eene contradictio in terminis: land, dat ongedeeld is, wordt o m de vier jaar verdeeld; doch deze tegenstrijdigheid valt weg, wanneer men „dis fiarda ieris" vertaalt met: i n het vierde jaar. Het opschrift van artikel 33 en 34, ook over de verdeeling van een liemrik, luidt: Van tinge om eerwe to delane. Eerwe erf lijkt mij een vreemde naam voor markegrond. Heek (Altfriesisohe Geriehtsverfassung, S. 214) vertaalt hier hemrik met: das ganze Gemeindegebiet, insbesondere die Gemeindeflur, beziehungsweise die Gewannen, eene eigenaardige vertaling, waarin zonderlinger wijze het gemeentegebied trapsgewijze inkrimpt tot het akkerland.

2) § 12 en § 37.

Sluiten