Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer men dus in eene Groninger oorkonde van 1348 leest: „marca origentalis", dan is er niets geen reden, om het daarmee bedoelde Oosterstadshemrik voor een stadsmark te houden. De naam „marca origentalis" komt voor in eene oorkonde, waarin twee broeders aan het geesthuis te Groningen schenken twee koegrazen aldaar „cum omni jure proprietatis, possess i o n i s et d o m i n i i perpetuis temporibns possidenda" '). Het heinrik is verdeeld in „predia", welke in privaat bezit zijn. Alles verzet zich er hier dus tegen 0111 aan een mark te denken, tenzij men die als oorsprong van het hemrik wil poneeren.

In den tijd, waarvan het stadboek spreekt, vallen liemrikken en mark niet samen en vroeger waarschijnlijk ook niet; een deel van de liemrikken is door de stad in de 14de eeuw verworven 2). Dit stuk heet naar den vroegeren eigenaar (van een deel of van 't geheel?) Verydemahemrik, evenals een ander deel ook naar een persoon genoemd is (Heinghehemrik = Heintje hemrik). De liemrikken hebben dus niet altijd geheel bij de stad behoord.

Als gerechtigden in Ooster- en Westerhemrik, d. i. niet als gebruikers, maar als eigenaars blijkens het bovenstaande, komen voor: de „cives proprietarii in Westerhemmerke et Osterhemmerke" (1322), „de gemene buren van der Ooster-Hemmericke" en „van der Wester-Hemmericke" (1386), „meene meente ende buren van Groninger Oesterhemmeryc" (1424), „buren ende arffgenamen van der Westerhammercke", ook „buren ende arffnoeten" (1434) 3). Het zijn dus buren en erfgenamen, die te zaraen eene afzonderlijke vereeniging vormen. Ze staan onder burgemeesters en raad, die hen bv. naar buiten vertegenwoordigen, maar hebben ook een eigen bestuur van oldermans en vijf dijkrechters, een eigen buurrecht, dat ze in 1386 door burgemeesters en wethouders laten bevestigen, en een eigen kas. In de buursprake wordt over alge-

1) Gron. Oorkondenb., I, 407.

•2) Egheen man moet ienich steenhues bouwen in onsser marke, noch in onser hemmerke, nooh an onssen rechte buten Groninghe: Telting, Stadb. art. 175, blz. 64. Of bijv. het Wriedema land (Driessen, Mon. Gron., blz. 393 noot) erbinnen lag, ia niet bekend. In 1339 geeft de raad een zekere Elsedis, wed. Rudolfi dioti Verydemen, geld voor „prediis aeu bonis aliia in districtu Verydemenehemmerke jacentibua'': Oorkb., I, 360. Toch blijft er nog kweatie over bestaan; eerat in 1399 wordt de stad ontlast van de aanapraken, welke Elteke Wicboldes en Wichel- Verydema, broer van Wicbolt Verydema, tot toen op de atad „van Verydema lande ende guedes weghen" maakten. De processen daarover worden neergelegd : lb. II, 1027. Driessen noemt als bestanddeelen der liemrikken volgens een „oud" register, zooals het in 1518 genoemd werd, nog: Heinghe lierarick en Harbarge buersciiap.

3) Gron. Oorkb., I, 330, II, 754; Driessen, Mon., blz. 386, 274 vlgg. „Cives" in de eerste oorkonde behoeft volstrekt niet te beteekenen stadsburgers; er wordt herhaaldelijk in het Oorkondenboek gesproken van cives de Suethlare (Zuidlaren, bv. Gron. Oorkb. I, 135), cives de Heltmen etc., waar „cives" ook vertaald moet worden met buren.

Sluiten