Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als wij zien, dat de dorpen aan de Noordkust van Groningen in 1637 gezamenlijk een buitendijks gelegen land inpolderen en dat den eersten tijd ongedeeld gebruiken, dan vormt zich daar geene markegemeenschap in den gewonen zin. Dit zijn aandeelhouders, die rechten hebben, al naardat zij hebben bijgedragen. De verbinding tusschen het dorp en het nieuwe land, tusschen den dorpsbewoner of de boereplaats en het aandeel is niet eene historische noodzakelijkheid, maar eene opzettelijk geschapen betrekking.

Om nu op het punt van uitgang terug te komen, alles bewijst, dat men met liet aannemen van marketoestanden in de door Friezen bewoonde streken uiterst voorzichtig moet zijn '). De waarschijnlijkheid, dat onder de gemeene weide in het charter van 1299 eene meenschaar te verstaan is, zal nu duidelijk geworden zijn. Tevens blijkt, waarom een rechter, die daar komt, slechts eene boete zal kunnen opleggen aan dengene, die zich ten onrechte een aandeel daarvan aanmatigde. Wat namelijk de inrichting ervan verder betrof, daarmee had de rechter niet te maken: dat was eene private aangelegenheid der deelhebbers, waarmee de overheid zich niet behoefde en behoorde te bemoeien. De meening, dat er in Overschie een dijkgemeenschap, geene mark heeft bestaan, is boven reeds uitgesproken. En dan de andere genoemde meenten en gemeene weiden? De gemeene weide bij Poortvliet zien wij nog aan den graaf komen, er wordt nog vee opgedreven en een eigenaar moet nog afgekocht worden, niet als markegereclitigde, die er een of

datgene, waarvoor zij het betoog moeten leveren. De Beneficiaalboeken van Friesland (1543) vermelden op versoheidene plaatsen „meenscharen", maar de eenige „meenschaar", die nog sporen schijnt te vertoonen van gemeenschappelijk gebruik, is die te Deinum (Acker Stratingh, blz. 68). De „eggen en eynden" (d. w. z. de grenzen der afzonderlijke pereeelen) daarin zijn niet duidelijk, „overmits een meenschaer is". Doch de omvang der pereeelen was anders niet zwevend, zooals bij de lezing dezer plaats in 't Benefiob. blijkt: één ervan is: „vier pondematen min drie eynsen". De plaats, waar Feith (I, blz. 379) vermeldt, dat een kwelder door eenige provinoiemeiers „in de mande werd beslagen," zou door eene gedachtenassociatie met de Groninger „buurmande" het denkbeeld van een marketoestand kunnen opwekken. „In de mande" beteekent echter niets dan gemeenschappelijk. Bij Feith (blz. 346 vlg.) staat een voorbeeld van een provinciemeier, die zijne boerenplaats met zijne zusters „in de mande" bezit.

1) Het is natuurlijk niet een zuiver ethnographische kwestie, veeleer eene geographische ; de toestand van het land dringt den menschen veel gemakkelijker zekere „Besiedlungsformen" op dan omgekeerd. De eigenaardigheden van het Friesche volk zjjn dikwijls eene verklaring geweest voor den afwijkenden gang der historie in hun land. Ik zou er eer op willen wijzen, dat de Friezen voornamelijk op het alluvium wonen. Met den Hondsrug dringt een andere stam in het Friesche gebied op, evenzoo met den zandbodem van Zevenwolden en met de diluvialen landtong van het Gooi. Naarden is een Saksische vorm voor Noorden; in de dorpen vindt men den Saksischen brink, erbij de algemeen Saksische eng (= esch) en de eigenaardig Saksische mark, die bij meer dan een dorp behoort: Schuiling, Leerboek der Aardrijkskunde van Nederland, 4<le druk, 1807, blz. 126.

Sluiten