Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene uitgestrektheid, die zich met de oorspronkelijke eigendommen in 1880 uitgebreid had tot een omvang van 3595 H. A. In de latere keuren leeft nog de herinnering voort aan de verschillende herkomst der stadsgoederen. Eene van 1460 onderscheidt „der stat lande, eilande, inarke ende weerde", eene van 1464 „der stat marcke, lande ofte eylant" 2). In de „pachtlappen" van 1472— 1494, de registers van de verpachte stadseigendommen, ook nog in de rekeningen uit de 16e eeuw, worden de stadsbroeken nog als „meenten" aangeduid, hoewel dit niet landen waren, die als gemeene weide door de burgers gebezigd werden 3).

Het grondgebied van Kampen neemt dus wel zijn oorsprong in eene, waarschijnlijk verouderde markegemeenschap, nl. in de oude Sallandsche mark, maar het is eerst nauw aan de stad verbonden en heeft zijn afgeronden vorm gekregen in de 13e en de 14e eeuw 4). Tevens moet niet vergeten worden, dat hetgeen in 1363 verworven werd in een vorm werd verkregen, die het maakte tot stadseigendom, niet tot een object, waaraan de stad een soort Obereigentum had, maar waarvan de gebruiksrechten toekwamen aan een gering aantal gewaarden.

Het was nl. in de Sallander mark als in de Westfaalsche marken, waar volstrekt niet alle inwoners gerechtigd waren, maar slechts de bezitters van de oude boerenhofsteden: in Westfalen de Erbexen, hier de erfgenamen (heredati) naar hun recht, gewaarden (warandati) naar hun aandeel genoemd. Slechts aan de „olthovighe" landen was een markaandeel verbonden, een aandeel, dat in den loop der tijden wel door verkoop en overgang bij sterfgeval vaak versnipperd was, maar dat geheel het karakter van een privaat

dat geval zou Kampen ter beschikking van den bisschop gesteld hebben 100 + 210 + 32 morgen — 402 morgen. Dit laat zich beter hooren. Alleen weten wjj niet, hoe de stad haar eigen gewaarden schadeloos gesteld heeft, want de Kampereilanden zijn stadseigendom geworden en niet eigendom der Kamper gewaarden.

1) J. Swets, De Zuiderzee en de Kampereilanden (1886), blz. 09.

2) Digestum Vetus, blz. 20 en 32 vlg.

3) „Pachtlappen" van 1472--1494 in het Archief. Ook in de Rekeningen uit do 16<l'' eeuw aldaar. Het St. Nicolaasbroek staat evenwel in de eersten bij de Oreente, in de laatsten onder de stadsweerden opgenomen.

4) Hoe voorzichtig men moet zjjn met het construeeren van de oude toestanden bljjkt uit het volgende. Bjj Kampen liggen twee esschen : de esch bij Soeveningen en de esch bjj het Nieuwland, beide volgens de rekeningen, behoorende aan de stad. Men denkt hierbij onwillekeurig aan den tijd, toen de burgers nog tevens landbewoners waren, doch ten onrechte. De eerste esch behoorde voor 1459 aan een Jorden van Uterwijck en werd in dat jaar door dezen verkocht aan het convent van St. Agnes (Keg. O. Arch., I, 645), dat hem weer aan de stad verkocht in 1480 voor 2300 Rijnsche goudgld. (volgens stuk in het archief, Inv. n". 734). De tweede esch was in 1459 het eigendom van een zekeren Peter van Uterwijck (Reg. O. Arch., I, 665), en deze deed zijne bezitting in 1481 aan de stad over voor 2400 R. goudg. (Ook in n". 734 der Invent.). Vgl de annal. etc. in De Kamper Kron., blz. 34 en 40, waar de jaren 1480 en 1482 opgegeven worden.

Sluiten