Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stad, toen zij in 1434 de Rute onder de vrijheid geplaatst zag. Dit veen — eigenlijk waren liet de Rute en „die groete Hermeien" — werd nl. aan de stad gegeven om ontgonnen te worden, aangezien het „nu woest legt ende onbewoent is", zegt de bisschop

Omtrent Deventer zijn de berichten minder volledig. De z. g. Proostesweerd was een leen van den bisschop, dat de stad in 1345 van den laatsten leenbezitter gekocht had 2). Een burger — in 1381 een stadsbode — werd er door den bisschop mede verlijd In 1414 kreeg zij op dezelfde wijze een deel van den Oortmersch in haar bezit4). Hoe zij evenwel aan de Teuge en aan de weerden aan den IJsel gekomen is, ligt in liet duister.

Dat Hardenberg als eene nieuw gestichte stad van zich zelf geene mark had, is duidelijk; de bisschop geeft aan de stedelingen tegelijk met het stadsrecht rechten op water, weide, turf en brandhout in alle marken aan de Vecht, waarin hij gewaard was 5). Evenzoo is liet niet te verwonderen, dat de bevolking om het kasteel te Koevorden, die eerst laat stadsrecht kreeg, slechts door de genade van den heer van Koevorden in het bezit eener mark kwam °).

De stad Groningen had eene mark. De systematische wijze, waarop deze plaats gebouwd is, met eene markt als middelpunt, waarop de verschillende straten als stralen uitloopen, zou wel doen vermoeden, dat haar ontstaan heeft plaats gevonden onder eene zekere leiding en naar een bepaald plan en dat zij niet van ouden datum is, maar eene stelling daaromtrent wordt door geen enkel bewijs uit eene oorkonde gedekt. Of de stad eene mark gekregen heeft van den bisschop, is dus onzeker. Overigens zijn de mededeelingen omtrent Groninger marketoestanden uiterst schaarsch. Het is maar éénmaal, dat in de middeleeuwen de aanwezigheid van eene mark uitdrukkelijk vermeld wordt en wel in de oorkondevan 1346, waarbij aan het klooster Aduard voor zijn hospicium op den Holni wordt toegestaan „ut communi marka nostra, quan-

1) G. Dumbar, Analecta (1719—4722), II, p. 246 seq.; oorkonde bjj B. J. van Hattura, Geschied, der St. Zwolle, I, blz. 364 vlg.

2) Over. Bijdragen, VI, blz. 148 vlgg.

3) Cameraarsrek., II, blz. 496; blz. III'2, 430; V, blz. 355.

4) Dumbar, Deventer, I, blz. 518 vlg.

5) „.... so gheven wy hum ende waren si van onser weghen te water, te weyde. te turve ende te tueenhoute in allen Marken, die op der Veohtstroom ligghen offte ilaer bi, daer wi in ghewaert sijn" : Overijs. Bijdr., IV, 226 vlg. Aangaande de andere Overijselsche steden heb ik slechts gissingen. De Greent van Gencmuiden zal reeds voor de verdeeling van het Mastebroek daaruit afgescheiden zjjn. Ze ligt tenminste geographisoh in de Sallander mark. Hasselt betaalt op het eind van de 18de eeuw aan het landschap pacht voor „Acoys, Tol, Precaryen ende twee stuck Landts, genoemt den Overkoppel'' (Tegenw. Staat v. Over., II, blz. 45). Het is dus waarschijnlijk, dat die Overkoppel. evenals de drie daaraan voorafgaande zaken, bisschoppelijk geweest is.

6) Gron. Oorkb., I, 599.

Sluiten