Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

turn ad omnem utilitatem, utatur dicta domus, sicut alius civis noster" '). Maar dorpen in hare omgeving hadden ook een mark; Zuidlaren, in het Goorecht gelegen, bezat er eene, die reeds vóór 1264 (of 1265) gedeeltelijk geslagen was en waarvan in dat jaar een groot deel door de markgenooten aan de abdij van Aduard verkocht werd 2). Na de vermelding van 1346 is er in de geschiedenis van de Groninger mark een hiaat, totdat er eerst in de rekeningen van de 16e eeuw weer van gesproken wordt. Daarin verschijnt de „Bourmande". Of dit dezelfde grond was, als waarover in 1346 eene bepaling werd vastgesteld, is volkomen onzeker. Van een gebruik als weide is mij niets bekend; of het nog anderen dienst deed dan als bouwgrond voor huizen, blijkt niet3).

Alles samen genomen is in het voorgaande wel niet aangetoond, dat alle stadsmarken tot eene nieuwere historische formatie behooren, maar wel vele. En natuurlijk vinden wij voorbeelden als de hierboven aangehaalde ook buiten ons land. Dresden had in den aanvang ook geene almendc, tenminste niet van beteekenis, en liet moest zich met weiderecht vergenoegen. Eerst later kon het eene almende verwerven, maar het kon er nog niet zoo vrij over beschikken, dat de keurvorst liet besluit, om een stuk ervan te vcrdeelen, onaangevochten liet4). Hamburg kreeg in 1256 eene stads-

1) Gron. Oorkb., I, 385. In eene oorkonde van 1378 (Ib. 11,065) wordt gesproken van twee grazen lnnds, liggende in „der stede fenne" en eene verkoopacto van 1375. (II) II, 633) draagt aan den achterkant een opschrift van een latere hand, dat vermeldt, dat de in do acte genoemde zeven grazen liggen in „bjj onsen (d. i. deistad) osseweyde". Deze weiden (ol weide?) waren in privaat bezit.

2) Gron. Oorkb., I, 135. De naam Zuetlaresniarke nog in 1404 : Ib. II, 1175, 1170, 1107.

3) De „Bourmande'' was stadseigendom, dit laat zich niet betwijfelen ; do volgende plaats uit de rekeningen van 1548 (Stadsrok., blz. 307) bewijst het: Upt Zuyden van Johan van Ummen voers. lyclit een groet hoffe, hefft een moelenbarch gewest : dyt verdedyngt Gerdt Hoenerycks, de dat Wolter Tammens yn gebruyek hefft overgedaen, bewijsen gene aenkomst offte breven, offte ydt oer verkollt offte verpachtet offte versettet sy van der stadt; want ydt u t h der s t a d t hou rmande y s genomen u n d t h o boyden zydenyn de stadt bourmande gelegen hefft etc. Dit is dus stadseigendom, of is het geweest, o m d a t het in de bourmande ligt. Ware de bourmande als weide gebruikt, dan had de stad niet de „lege borchstede" (het terrein van den burcht uit den tijd van graaf Edzard) behoeven te bezigen om er de stadspaarden te laten grazen (Rek., blz. 322) en nog veel minder had zij voor dat doel land van het Oosterhemrik behoeven te pachten (zie boven). In de Rekeningen, blz. 21 vlgg. staat een geheele rij van nieuwe bouwperceelen op de „Bourmande", door do stad tegen het jaar 1527 verpacht.

4) Richter, Dresden, lil-, S. 33 f.

Sluiten