Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weide van de graven van Holstein en kocht er bovendien van twee ridders nog eenige goederen bij „ad pascua civitatis" '). Basel had in 1257 van een klooster weiden in Tegermoos gekocht; het bleef zelf evenwel zoo nauw ingesloten tusschen de omliggende gemeenten, dat het in 1:504 om de stad te kunnen uitleggen 2) een stuk gronds als „almende" koopen moest. Een interessant voorbeeld van markeverwerving levert het stadje Villingen in Baden 3). Stelselmatig heeft dit alle dorpen en hoeven in den omtrek aangekocht en daar alle bedrijf opgeheven. Er werden weiden van gemaakt, die de stad behoefde voor hare, op grooten schaal gedreven schapenteelt, want wolweverij was liet voornaamste middel van bestaan voor hare burgers. Langs dezen weg kreeg zij een bezit, zooals bijna geene stad uit de middeleeuwen gehad heeft, al bleef hare rechtssfeer klein. Al het nieuw verworvene was nl. privaatrechterlijk bezit. Hildesheim had wel eene stadsweide, maar het vulde zijn bezit nog aan door er van d'en bisschop land bij te koopen en wel land, dat de bisschop slechts wilde afstaan met recht van wederkoop na 10 jaren 4).

Markegemeenschap met omliggende dorpen vinden wij o. a. in Worms. Deze stad evenwel heeft daarvan profijt getrokken en de, waarschijnlijk vroeger uit de gemeenschappelijke mark afgescheiden „almenden" van Hochheim en Pfifflheim, rechts van den Rijn, aan zich weten te brengen. In 1278 werden deze wel „simpliciter et totum" aan haar afgestaan, maar toch hebben nog in 148!) vijf dorpen, waaronder de beide bovengenoemde, weiderechten op „der burgere weiden". Hunne kudden staan echter onder den stadsherder, de stad mag de wegen naar de almenden volgens haar goedvinden aanleggen 5).

1) Hamb. Urkundenb., ed J. Lappenberg (1*42), I, S. 50.

2) Gothein, Schwarzwald, S. 82 und S. 74 f.

3) Ib. S. 86.

4) Het was eene weide, de Venedig geheeten, liggende bjj de geraeene weide en aan de stadsgracht: Hildesheimer Urkb., II, S. 119 (1362). De stad bezat deze van 1353—1362 (II, S. 49 f.) en kreeg ze op do in den tekst genoemde voorwaarden weer in 1394, Blijkens een artikel in een „bursprake" van 1428 (IV, 8. 10), dat eene herhaling moet zijn van eene bepaling uit 1369, was de Venedig in 1369 ook in gebruik van de burgers. Maar al mag de stad deze weide voortdurend bezeten hebben, de vernieuwing van het contraet bewijst, dat het voorbehoud van kracht gebleven was.

5) Wormser, Urkundenb., I, S. 249, 251, over de „actio ipsis (den burgers) a nobis (den bisschop) et ecclesia nostra Wormatiensi pro alemenda illorum de Peffelnheim et de Hochheim intentata." De bisschop verklaart: „quod ex nunc et i n perpetuum pro nobis et ecclesia nostra renunciamus eidem (eisdem ?) allmende simpliciter et totum." Aan een oude gemeenschappelijke mark gelooft ook (op grond van Maurer's boek) C. Koehne: Die Ursprung der Stadtverfassung in Worms, Speier und Mainz (1893, in Gierkes Untersuchungen), S. 307. Een deel van deze mark, rechts van den Rijn, was in privaat bezit overgegaan. Op verschillende plaatsen in het Urkundenbueh worden, in het geheel negen maal, eigenaars van

L

Sluiten