Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervreemdde '). Dit duurde tot 1263; toen gaf de elect, die op den bisschoppelijke» stoel zat, alle aanspraken op en kende de stad het recht toe om volkomen vrijmachtig met de betwiste landerijen te handelen, zooals zij verkoos *).

Liep in Straatsburg het geschil over de rechten op de mark, elders ontstond twist met den stadsheer over hare grenzen. In Liibeck werd de strijd met den bisschop daarover met groote heftigheid gevoerd; de stad lag zelfs een tijd lang onder het interdict, totdat in 1314 een zoen getroffen werd, waaromtrent advocatus, raad en gemeente zeiden: „omnes terminos agrorum, pratorum, pascuorum, paludum, nemorum, aquarum aquarumve decursuum, qui fuerant origo totius questionis, integre et plane consecuti sumus" 3).

In ons land worden dergelijke conflicten maar zelden vermeld. Alleen tusschen de stad Amersfoort en den bisschop is blijkbaar een dergelijke twist geweest. De laatste achtte zich namelijk benadeeld, doordat de burgers zonder zijne toestemming boomen velden op den Berg, en het gerooide bosch, zoowel als anderen woesten grond, die hem toebehoorde, voor eigen gebruik ontgonnen. In 1331 schonk hij hun nu maar het land, dat zij alreeds aangemaakt hadden, doch verbood, hiermee zonder zijne vergunning voort te gaan4). De Amersfoortsche poorters schijnen evenwel het vragen om permissie voor het vervolg overbodig geacht te hebben, want in 1394 beklaagt de bisschop zich opnieuw, „dat sy des berchs eyns deels geslaghen hebben aen hoefslach (d. i. verdeeld over de hoeven) ende bepaelt, die mijns Heren is", en tevens zijne „wildernisse" in cultuur nemen. De stad van haren kant antwoordt daarop, „dat die Stat van Amersfort altijd recht gehadt heeft hoir meenten aen te slaen, en dat die wildernis is hoir selffs meenten, dat hoir eygeii goet is" Hertog Willem van Gulik, aan wien de arbitrale uitspraak door beide partijen overgelaten is, beslist, dat den bisschop schadever-

1) Ib., S. 356.

2) Ib., 8. 395 : „Sie sullent och ir almenden besetzen und entsetzen ane menliches widerrede naoh irem willen". De strijd was verscherpt door de omstandigheid, dat de stad hare „almende" noodig had voor den huizenbouw; reeds in 1 '200 moest men misschien ervan binnen de stad trekken: Hegels Chroniken der deutschen Stadte, YIII (Chronik des Jaoob Twinger von Königshofen), S. 715 f.

3) Urkb. des Bisthums Lübeck, ed. W. Leverkus, B. I (1856, niet verder verschenen), S. 548 f. Reeds in 1308 een vergelijk: „Inprimis ut unde contencionis materia cepit exordium, inde pacis reformaeio oapiat fundamentum. de distinctionibus terminorum etc.: S. 515—518.

4) Matthaeus, Rer. Amerf. SS., p. 377.

5) Ib., 223. Ken ander stuk land, de Koppel geheeten, dat de Ainersfoorters ook wederrechtelijk heetten te gebruiken, beweerden zij reeds lang in pacht te hebben. Ze zullen echter, wanneer dit waar was, de pacht wel niet betaald hebben, anders kon de bisschop er niet in dezen vorm over klagen. In 1399 krijgen zij den Koppel met den tol en de gruit benovens eenige renten werkeljjk in pacht: Van Bemmel, II, blz. 801 vgl.

Sluiten