is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goeding toekomt, indien hij kan bewijzen, dat de stad „sijns berchs eyn deel utgeslagen heeft an hoefslach ende bepaelt," verbiedt het gebruiken van 's bisschop* woesten grond en stelt vast, dat beide partijen de juistheid van hunne bewering zullen hebben te bewijzen. De stad zal moeten aantoonen, dat het hare „meente" is; haar recht, om daarover naar welgevallen te beschikken wordt niet aangevochten.

In hoeverre dit laatste een gevolg is van den strijd tusschen den bisschop en zijne steden, weet ik niet; feitelijk vinden wij ze volkomen vrij om met de mark te doen, wat zij willen, en wrijvingen met den landsheer over wederzijdsche markerechten waren dus van zelf uitgesloten. De bisschop mengt zich dan ook niet in de wijze, waarop zij geëxploiteerd worden. Als Utrecht de stadsweide verkoopt in 1432 '), wordt niet gesproken van eenige vergunning, aan den bisschop gevraagd. Evenmin bemoeit hij er zich mee, of Kampen, Deventer en Zwolle een deel ervan verpachten, als gemeene weide gebruiken of bezaaien. Alleen zijn tiendrecht handhaaft hij zooveel mogelijk, maar ook dit recht zoekt de stad uit hare bezittingen te doen verdwijnen. Amersfoort werd bij het boven besproken geschil er dan ook van beschuldigd, dat het de tienden van hare meente hief2). Het kreeg nu vrijheid daartoe, voor zoover de „meenten" binnen de vrijheid lagen. De stadsweide van Utrecht tot de Proostwetering was „tinsvrij ende tientvrij," wanneer men ze na twee jaar bebouwens één jaar als grasland liet liggen 3). Wat er nog overbleef aan tienden schijnt wel aan de stad overgegaan te zijn 4). Frederik van Blankenheim staat in 1401 aan Deventer af de tienden op „der stad gliemene land"5). Verder zijn in Salland de tienden zoo goed als geheel in de handen van het Deventer kapittel overgegaan 6), dat niet den voortdurenden geldnood van den bisschop had en ze dus ook niet, zooals deze, behoefde te laten glippen.

1) Huiler, Regesten, nos. 773—703; Burman, Jaarboeken, I, blz. 440 (verkeerdelijk op 1433).

2) Matthaeus, 1.1. p. '224.

3) Rechtsbronnen van Utrecht, I, blz. 53 (1340).

4) In den verkoopbrief van twee „viertelen" van de stadsweide, medegedeeld bij Van de Water (Utrechtsch Placcaatb., III, blz. 41, 1432), behoudt de stad de tienden, al verkoopt ze het land.

5) d. i. it) het veen bij Colmschate, b) Wecholregoer, c) Koegoer, d) de bij dit laatste liggende slagen „gheleghen in Deventer maroke, dat nu der stat gheslaghen is". Dit waren waarschijnlijk de eenige landen, die bezaaid werden. Tiendvrijheid werd ook bedongen voor een stuk onbebouwd land hij den bisschoppelijken hof te Weohelo, waarop een boschje, Wechelreholte, stond, wanneer het onder den ploeg genomen zou worden: Dumb., Deventer, II, blz. 16 vlgg. De eerste tiende (decima in Veno prope Daventriam et Colmescote sita) wordt reeds genoemd in 1233 : O ver ijs. Bijdr , VI, blz. 115.

0) J. Kosters, Het oude Tiendrecht, 1809, blz. 72, waarbij nog Overijs. Bijdr., VI, blz. 117.