Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelen en dan gewoonlijk op bepaalde huizen, is in onze steden maar bij groote uitzondering voorgekomen '), evenmin als in de overige steden van het Duitsclie rijk. Dit laat zich licht verklaren uit de bijzondere toestanden, die zich in de stad ontwikkelden. Was in den oudsten tijd grondbezit een noodzakelijk vereischte voor het volle burgerschap, in de latere middeleeuwen verliest dit beginsel meer en meer zijn kracht. De gildenoproeren, die in Duitscliland tegen het einde der 14c eeuw in de meeste steden uitbreken, dringen het oude, aristocratische stadsbestuur van liet kussen. In ons land, met uitzondering van Utrecht, heeft de feitelijk aan val op het patriciaat meest omstreeks het einde der middeleeuwen plaats, maar ook hier begint zich al vroeger eene verandering te vertoonen in de stedelijke organisatie. De gilden worden de afdeelingen, waarin zich de burgerij splitst, als gildebroeder oefenen de burgers hun invloed op het beheer der stad uit en niet meer de verhouding tot den stadsbodem alleen bepaalde iemands plaats in de klassen deibevolking. Het persoonlijk verband werd veel sterker en de „Kealgemeinde", die de stad vroeger tot op zekere hoogte geweest was a), ging steeds meer over in een „Personalgemeinde".

Nu had bovendien de stad veel meer eene vlottende bevolking dan het land 3). Immigratie en emigratie waren buiten de steden niet zoo sterk, dat ze leidden tot eene groote wisseling van personen; de rechten op de mark blijven vrij geregeld in dezelfde geslachten, wier aantal weinig veranderde en waarin de verschillende generaties elkaar vrij geregeld opvolgden. In de steden wa» de bevolking meer in beweging; voortdurend moesten nieuwe rechten o]) de mark ingeruimd worden en vielen oude aan de gemeenschap terug. Hiervan was het gevolg, dat de rechten van den enkelen stadsbewoner steeds meer op den achtergrond traden tegenover die van de stadsgemeente.

Verder moet niet vergeten worden, dat de stedelingen zich steeds meer afwendden van landbouw en veeteelt4), liet markegebruik

1) Een dergelijke „Realgemeinde" in llattem (Aardrijksk. Woordenb. van V. d. Aa in verbo: Houioet), maar de gemeene weide sehjjnt hier bij do schenking onmiddellijk aan do huizen verbonden te zijn. Ook in Steenwjjk : Meesters, Steenw. Meenthe, blz. 70 vlgg.). Sterke voorbeelden hiervan: Zs. f. deutsches Recht u. deutsche Uechtw., XVII, S. 218 ff., voor vele Pommersche steden, waar nog in de 19" eeuw kleine genootschappen van z. g. „Rauleute", bijzonder gepriviligieerd ten opzichte van de gemeene gronden waren. Sommige vormden een „Personal-", maar andere een „Realgenossenschaft". In Wolgast bestond deze laatste uit'24 Gebofte en den z.g. Syndicatshof. Verder: Toeppen, Elbinger Antiquitaten, S. 59: Codex Warmiensis, I, S. 37'2 f. In Elbing waren de weideaandeelen van 1325 tot 1K26 pertinentia van bepaalde burgerhuizen.

2) Helow, Stadtgemeinde, S. 52.

3) Inama-Sternegg, D. Wirtschaftsgescli. III', S. 30 ff.

4) lk noem hier niet do visscherjj, want deze ging in de steden natuurlijkerwijze al spoedig aan beroepsvisschers over.

Sluiten