Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hiermee zijn wij reeds in den nieuwen tijd aangeland; de andere voorbeelden behooren chronologisch tot de middeleeuwen, maar zij toonen toch aan, dat de begripswijziging eerst in de laatste eeuwen ervan doordrong '). Wel zijn er van elders gevallen bekend, dat de stad reeds zeer vroeg hare mark, ter wille van stadsbelangen, vervreemdde. In Straatsburg verkocht de stad in 1231 markegrond om 200 Mark te bekomen, die ze koning Hendrik schuldig was als zoengeld '■*); in Worms had iets dergelijks plaats in 1278: „propter incumbentem necessitatem civitatis et oppressionem gravem multiplicium debitorum" 3), maar hier had eene buitengewone geldverlegenheid de ontwikkeling der rechtsopvattingen geforceerd.

B. Overige stadsbezittingen buiten de stadsgrachten.

Reeds in het voorgaande was het niet recht te vermijden, dat wij ons soms bewogen buiten het „Weiclibild", buiten de vrijheid. Hier en daar kwamen wij op land, waar het stadsrecht niet gold. Grensteekenen, kruisen, een gracht, een wal (beide = „lantwere") gaven de grenzen van het Weiclibild gewoonlijk aan; wat de stad daarbuiten verwierf, werd geen deel van haar, tenzij de landsheer of de koning het met haar deed samensmelten tot een geheel4). Zij kon naast privaatrechterlijke rechten hoogheidsrechten hebben en die uitoefenen door middel van den raad; deze werd daardoor echter niet een orgaan van de bewoners der stadsbezitting; hij vertegenwoordigde de stad altijd in hare hoedanigheid van landheer of van stadsheer, wanneer het goed uit eene stad bestond. Juist door deze onmogelijkheid om het verworven gebied te assimileeren met liet Weiclibild is uit de stad, ondanks alle uitbreiding van hare bezitrechten over den omtrek, nooit een staat in modernen zin gegroeid. Bremen kreeg zulk eene uitgestrektheid in handen, dat ze voor de jurisdictie in vier districten (Gohen) verdeeld moest worden, die elk onder een raadsman of Gohgraf gesteld werden. De Gohen en de stad losten zich evenwel niet in elkaar op, de laatste bleef een kern, waarom een klein territorium vastgehecht was en waaraan de publiek-

naest den broee, dat slach naest der hoerst, dat oeninger broee": Olt Pachtboer, rubriek V (In het Sted. Arch.). Het laatste stuk was niet in de latere verpanding begrepen : Stadsrek. v. 1523 (Eveneens in bet Sted. Areh.).

1) In Doesburg laat zich de overgang vrij nauwkeurig vaststellen. De stad verkoopt daar nl. in 1459 en in 1466 eene jaarrente uit de stadsweiden om aan geld voor extra uitgaven te komen: Inventaris van het archief te Doesburg, door P. Nijhoff, blz. 13 vlg. In 1459 bestaat de rente uit twee koeweiden, in 1466 uit twee gouden schilden.

'2) Strassb. Urkb., I, S. 170.

3) Wormser Urkb., I, S. '247.

4) Gierke, Genossenschaftsrecht. III, blz. 664.

Sluiten