Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1189 bevat dergelijke bepalingen '). Tegelijk begint nu Lübeck de handen uit te steken naar de vesting Travemünde met het daarbij liggend dorp en naar het bisschoppelijke dorp Oud-Lübeck. Het eerste bedreigde haren handel, het tweede hare onafhankelijkheid. Beide lagen haar even na, beide werden haar afgestaan in 1234. Onaangevochten bezat zij beide echter niet. De overdracht van Travemünde, door Albert van Saksen, werd door de graven van Holstein niet erkend, en, nadat zij het zelf hadden afgestaan, blijkbaar toch nog meer dan eens herroepen. Na de oorkonde van 1234 zijn er nog drie brieven, waarbij de stad door hen in het bezit van de vesting en het dorp gesteld wordt en eerst met de laatste daarvan, in 1329, schijnen de rechten van Lübeck voor goed gevestigd te zijn. Het betaalde nog eens 1G00 M., maar luid nu ook alles: het hooge gerecht, het patronaatsrecht, het vee etc.2). De twisten met den bisschop over Oud-Lübeck waren in 1234 maar tot een voorloopig einde gekomen, al had de kerkvorst ook „omne ius" aldaar opgegeven. Eerst na eene vijftigjarige veete over dit en over andere zaken zag de bisschop van al zijne rechten af en bezwoer dezen afstand met zijn kapittel (1310) ').

Ondertusschen was de stad bezig met de kolonisatie van hare mark en met de uitbreiding van haar dorpenbezit door aankoop. Minstens twee dorpen zijn op de laatste wijze aan de stad geraakt4) en in eene register van 12G2 worden reeds 7 dorpen vermeld met ruim 5G hoeven 5). Ze brengen maar weinig op: 27 M. 13 £ 26 schepel rogge en 30 id. haver. Is deze opgave misschien onvolledig? Het is mogelijk, dat het totaal der inkomsten veel te gering is en niet vergeleken mag worden met die, welke in het rekenboek van 1316—1338 opgegeven staat. Eene conclusie omtrent den voortgang der ontginning zou dan voldoenden grond missen.

1) Hierover: J. M. Lappenberg, Die altesten Stadt-, Schiff-, und Landrechte Hamburgs (1845), S. XLIII, f.

2) De oorkonden over Travemünde: Lüb. Urkb., I, S. 66 (1234), 120 (1247), 147 (1250), II, S. 453 (1329).

3) Idem over Alten-Lübeck: I, S. 66, 610 ff.; Urkb. des Bisth. L. na S. 250 passim, vooral S. 515—518 en S. 548 f. Dat er voor 1234 al twist over was, blijkt o. a. hieruit, dat de bisschop in 1225 er aan de stad eene hofstede overdroeg, „quod sine lite possideri non potest": Lüb. Urkb., I, S. 36.

4) Koopt: in 1242 villam in terra Godebuz, Niendorpe dictam, XVI mansos habentem, voor 200 M.: Urkb. des Bisth. L. I, S. 83 (In de stedelijke rekeningen nooit meer dan 12 hoeven); in 1250 villam Drogen Vorwerke cum omnibus attinenciis voor 600 M.: Lüb. Urkb., 1, S. 147. Ze werden tot de mark gerekend, want deze dorpen hadden evenals twee andere (Wiscelo en Padelügge, waarvan het laatste bepaaldelijk als deel van de mark aangeduid wordt) tienden aan de stad op te brengen, waarvoor bij nalatigheid gepand werd door de advocati marchie (volgens aanteekening in 't Kammereibuch van 1316—1338, noot, II, S. 1064). Bovendien van Nijendorp blijkt het wel: Lüb. Urkb. II, S. 1064: .... curia Nighendorpe, sit;i in der stadis marke.... (1326).

5) Lüb. Urkb., I, S. 256.

Sluiten