Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wel is duidelijk, dat er eene geheel andere wijze van exploitatie is ingevoerd. In 12G2 waren de hoeven uitgegeven, meest voor 12 (3 jaarlijks of sommige voor een pacht in naturaliën. In 1310 en volgende jaren zijn ze in de meeste dorpen verkocht aan kolonisten „cum omni proprietate et libertate". De koopprijs is in ieder dorp voor elke hoeve dezelfde en hij varieert van 32 M. tot 100 M. In de plaats van die koopsom betalen de kolonisten evenwel een jaartijns, „wiebelde" geheeten, ten bedrage van '/16 daarvan, welke voor zijn zestienvoud afgekocht worden kon. Bovendien moet in enkele dorpen 8 p per hoeve als tiende betaald worden. Voor het overige heeft de stad zich alleen de rechtspraak en hier en daar de eikenboomen voorbehouden. Het aantal hoeven is gestegen tot 88 met eene ^opbrengst van ongeveer 345 M. Daarbij komt nogl6'/t M. „wiebelde voor 42/3 hoeve in een dorp, waarvan de stad de helft gekocht heeft, zoodat de stad van ongeveer 90 hoeven ongeveer 360 M. jaarlijks trekt, eene som, die evenwel door den afkoop van tijns voortdurend achteruit gaat. Dit geldt echter maar voor vijf van de zeven dorpen '), in de twee anderen is het land niet aan de boeren afgestaan, er wordt „hura", huur voor betaald; in het eene dorp (Wiscelo) 20 p + 1 hoen, in het andere (Slucup) 12 0+1 hoen jaarlijks. Hier dus nog de oude lage pacht en een minder gunstig bezitrecht. Eene reorganisatie schijnt hier dus niet doorgediongeil te zijn, ten minste niet in dien vorm; er zijn geen nieuwe grootere hoeven opgemeten en op gunstige voorwaarden aan kolonisten verleend.

Wanneer de stad dit in de andere dorpen gedaan heeft, is niet te bepalen; ze schijnt nog vrij lang de oude bevolking in haar oeconomische verhoudingen gelaten te hebben2). Nog in 1283 betaalt

1) De dorpen waren : Nijendorpe met 12 manai.

Padeluche B ü n

Sconebeke „ 9

Crempelstorpe „ 17'/2 „

Droghevorwerke „ 20 „

"Wisoelo „ 7

'7 Tl

SIuoup „ 12 „

Nieuw gekocht was de helft van Irahelistorpe, 8 mansi, waarvan de stad zelf weer verkocht had.

2) Misschien na 1306 blijkens eene aanteekening van dat jaar: Considerandura est, quantum de novo hofslach pertineat in nova hura ad querolibet virum residentem in (villis) Padeluchge et Sconebeke et Slucop de anno cccv. Ulam enim hu ram adhuo solvere tenentur. Omnes koteres (kleine boeren, geen volgerechtigde hoevenbezitters) residentes in villis civitatis inde reoedere debent et vacuas areas civitati relinqueri debent in festo Pas(c)he anno CCCVI: Lüb. ürkb. II, S. 1038. Men zou dan in omstreeks 1305 opruiming gehouden moeten hebben van erfelijk of ten minste vaster geworden rechten der keuterboeren en het land alleen in een opzegbare huur hebben gegeven. In Slucup (en Wiscelo) heeft men dezen vorm van uitgifte dan later bijbehouden, de andere dorpen gereorganiseerd.

Sluiten