Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een Slavisch landbouwer zijn pacht van 20 P voor zijne hoeve ').

Eene kolonisatie als deze bracht aan het land vooruitgang door eene meer intensieve bebouwing; aan de stad schonk zij de indirecte voordeelen van een welvarenden omtrek en bovendien aanzienlijke onmiddellijke baten: in vijf van de oude dorpen verkocht zij voor 5164 M. aan hoeven.

Een nieuw veld voor hare werkzaamheden kreeg Lübeck door het vergelijk met den bisschop in 1316. Ze kreeg daarbij behalve Oud-Lübeck de Traveweiden in bezit en zag hare aanspraken op het dorp Kiperhorst erkend. Het Kammereibuch van 1316—1338 bewijst, dat de eersten voor een vrij algemeen gebruik worden opengesteld; ze werden in 75 perceelen verhuurd. In Kiperhorst ving de ontginning aan; in 1318 en 1319 werden stukken lands uitgegeven volgens „rodhrecht", zooals het genoemd werd, zeker op gunstige voorwaarden: gedurende de eerste vijf jaar, eenmaal gedurende zes jaar, behoefde geen pacht betaald te worden. In de volgende jaren werd ook op het z.g. Rucgenehorst land op deze wijze in cultuur gebracht en nog op andere plaatsen in de mark wordt duidelijk merkbaar het streven om woest land voor het gebruik geschikt te maken, nu de twist met den bisschop weer de handen vrij liet.

Had de stad zoo verkregen, wat zij, blijkens de moeite ervoor gedaan, verlangde en noodig had, minder zeker is het, dat de uitbreiding, die haar bezit in de volgende eeuwen kreeg, door haar begeerd werd. In de meeste gevallen ging de aandrang hier van den oorspronkelijken eigenaar uit. Groote eigendommen verwierf Lübeck zich door verpanding of door koop met recht van wederkoop, maar deze overeenkomsten waren in den regel slechts leeningen, die op deze wijze tegelijk vermomd en gewaarborgd werden. Omwonenden vorsten 2) en edellieden 3) werden zoo tijdelijk de handen

1) In de fragmentarische Kammereireehnung van 1283 af („Slavus dedit 20 f3"): Lüb. Urkb. II, S. 1028.

2) 1370. L. krijgt voor 6 jaren Ratzeburg c.a. van Erik den Jongeren van Saksen: Lüb. Urkb., III, S. 779. 1375. L. koopt met recht van wederkoop het gansche land Stormarn, het slot Trittau en de stad Oldesloe van Adolf v. Holstein voor 4.900 M.: Ib., IV, S. 274 ff. 1437. L. krijgt in pand het slot Glambeck en geheel Fehmarn van Adolf VI11, hertog van Sleeswijk en graaf v. Holstein, als pand voor 18.000 M.: Ib., VII, S. 732 ff. Glambleck heeft de stad nog in 1456: Ib. IX, S. 390 ff.

3) 1375. L. koogt huis en goederen in Crummesse van Marquardus de Crumesse voor 300 M.: IV, S. 193. 1379, is weer gelost, tenminste voor de helft: IV, S. 395. 1424. L. koopt van een „knape" „Beleudorpe (Rellendorf) lioff ende dorp, dat dorp te Ghyzemerstorpe. den Hoff to dem lutteken Mankere" (Klein Anker), de dorpen Hermenstorpe (Hermansdorf) en Alberdesvelde (Albertesfeld) etc. voor 3000 M. met voorbehoud van den wederkoop na 30 jaar : VI, S. 381 ff. 1444. L. krijgt de genoemde dorpen en hoven voor nog 2000 M. in eigendom : VIII, S. 309 ff. 1429. L. koopt van een „knape" „den hof to Rijkenbeke mit der Mühle und Wasser, Lybenen und dem lutteken zee unde darto twee houen landes .... in dem Ker-

Sluiten