Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16.262'/2 M. ') van Hertog Erik den Ouderen van Saksen-Lauenburg.

Nu begon de machtsuitbreiding der stad den vorsten toch wel wat bedenkelijk voor te komen, vooral dien van Saksen-Lauenburg. Zij stonden evenwel altijd zwak, doordat hun het geld ontbrak om de vervreemde goederen weer in te lossen. Het eenige, wat zij op wettige wijze tegen de contracten vermochten, was te tornen aan hunne rechtsgeldigheid. Erik V de Jongere betwistte dan ook Lübeck zijne aanspraken op Mölln met de bewering, dat Erik de Oudere indertijd met de overdracht van het stadje buiten de toestemming zijner familie gehandeld had. Hij bracht in 1418 de zaak voor den keizer en deze deed de stad in den ban. Dit was een weinig werkzaam middel, waartegen een rijke plaats als Lübeck niet weerloos behoefde te staan. Reeds in 1419 was de ban weer opgeheven 2). Doch het geschil was niet uit 3): 't was hier geen rechtszaak, het was eene machtvraag. Daarin had Lübeck den steun van Hamburg4). Dit kon niet lijdelijk aanzien, dat de koopstad aan de Trave hare machtige positie verloor, vooral daar het de keus kreeg tusschen den hertog en de stad als beschermers van de publieke veiligheid. De strijd liep namelijk nu hoofdzakelijk over het slot Bergedorf3). In 1420 zeiden beide steden Erik de veete aan, in 1422 eindigde de twist met een vrede, waarbij de hertog moest toegeven. Zij kregen het slot Bergedorf met den tol aldaar, den veel belangrijker tol te Esslingen en het slot Ripenburg. Hamburg en Lübeck zouden deze bezittingen elk beurtelings vier jaren (later zes jaren) in handen hebben 6). Door de grondpolitiek, welke wij nu een paar eeuwen nagegaan hebben, was Lübeck begonnen met baas in zijn eigen huis te worden, had het zich een bepaald, jaarlijksch inkomen uit zijne eigendommen verzekerd, was het in bezit gekomen van de voornaamste strategische punten in zijn omtrek en had liet tevens op de plaatsen, waar tollen den doorvoer konden bemoeilijken, de hand gelegd.

1) Lüb. LTrkb., III, S. 771—779.

2) Lüb. Urkb., VI, S. 38 f, 53, 118, 133.

3) Ib., S. 258 ff.

4) Dit is niet de eerste aanraking tussclien de beide steden naar aanleiding van dergelijke kwesties. In 1375 neemt Hamburg van Lübeek liet pandbezit van het slot Trittau en van Oldesloh over (zie noot 2, blz. 80), in 1379 betalen ze gezamenlijk een som van 200 M. en beloven een jaarljjksche rente van 20 M. om het slot llitzebüttel tot hun open huis te maken: Koppman, Kammereirechnungen, Einl. in Bd. I, S. XC f.

5) Lüb. Urkb., S. 278 f. Aan de Bille ten ZO. van Hamburg.

G) Lüb. Urkb., VI, S. 45,i ff., 744 f„ VII, 389. Bij Bergedorf behoorden het stadje B,, het recht om hout te hakken en zwijnen te mesten in 't Herzogenwald, eene weide en vier dorpen (Geestlacht, Altengamm, ICurslak, Aehterschlag). Bij Ripenburg ook groote goederen. De hertogen hielden alleen de halve jacht in het Herzogenwald. Ripenburg, dat erbij lag, is in 1506 afgebroken: Mitth. des Vereins f. Hamb. Gesch., VII, S. 4.

Sluiten