Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I)e geschiedenis van Hamburg heeft niet alleen aanrakingspunten met die van Lübeck, maar ze vertoont er ook groote gelijkenis mee. l)e stad aan de Elbe moet zich evenwel noodzakelijker wijze later ontwikkelen dan die aan de Trave; een binnenzee als de Oostzee bood de scheepvaart, zoo lang die nog de kusten ongaarne verliet, vroeger verkeerswegen dan de Noordzee. Hamburg had bovendien niet in die mate de gunsten genoten van Hendrik den Leeuw als Lübeck. Dit had van dien vorst de uitgestrekte mark gekregen, in welker bezit tredenk Barbarossa liet naderhand bevestigde. Daarentegen was Hamburg maar zoo sober voorzien van landerijen, dat ze niet eens toereikend waren voor den veestapel der burgerij. Van stadsdorpen verluidt hier langen tijd niets; het stedelijk oorkondenboek (dat trouwens niet verder gaat dan 1300) zwijgt ervan en ook de eerste kammereirechnungen (van 1350 af) maken er nog Keene melding van.

Dat de stad evenwel al vroeg in dezelfde richting gedreven werd als Lübeck bewijst het feit, dat zij reeds in de 13e eeuw den Alster, waaraan zij lag, in pand heeft. In 1306 en 1309 koopt zij telkens een vierde ervan en in 1310 de overblijvende helft. De graven van Holstein behouden evenwel nog het recht van wederkoop; eerst m 1.36.) is de rivier het volle eigendom van Hamburg '). Daarnevens had liet den toren te Neuwerk, over den mond der Elbe gelegen, die als baken diende. Tevens was hij een tolstation, maar als zooi anig kreeg hij niet voor de tweede helft der 14e eeuw waarde; eerst in de rekening van 1370 levert hij een voordeelig saldo.

Het grondbezit van de stad is eveneens van laten datum. In de 14e eeuw vermelden de rekeningen uiterst zelden buiten de stad gelegen vastigheden. Van die, welke blijvend aan de stad behoord hebben, heeft zij Glindesmoor, aan den overkant der Elbe, het vroegst verworven en wel in 1375.

erder loont het de moeite niet, om in bijzonderheden den aanwas van het Hamburger stadsgebied na te gaan; liet zou eene herhaling zijn van wat in Lübeck waargenomen werd met andere namen en andere datums en dan alles in geringer afmetingen. Daarvan getuigt ook het lijstje in de Bijlagen, dat ik getrokken neb uit de Kammereirechnungen, die van 1461 tot 1500 zonder lacune doorloopen. Ik heb daarbij weggelaten die pandbezittingen, \\elke Hamburg maar tijdelijk bezat en in den loop van de jaren 1460—1500 ook weer moest opgeven. Deze behooren grootendeels bij eene beschouwing over leeningen, niet bij eene over het onroerend bezita).

1) Zie Bijl. II.

2) Alleen zou misschien eeno uitzondering gemaakt moeten worden voor het bezit van Einden in 1433 door Hamburg en Bremen veroverd, later alleen door H.unbuig behouden en in 1453 aan den Oostfriesohen graaf verpand. Hiermee had de stad de Eerns in handen: Kiimmereireohn., III, Einl. 8. CXX flg.

Sluiten