Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duidelijk laten zich drie soorten van bezittingen onderscheiden. Ten eerste de dorpen en „Werders" (ook boerengemeenten). Of de stad de hier opgegeven acht dorpen in haar geheel bezat, weet ik niet. In alle veertig jaren brachten ze gemiddeld jaarlijks op 298 <® 4 9 <3. Het was niet een bezit van hooge waarde en men kan er niet meer gewicht aan toekennen, dan aan een toevallig in landerijen aangelegd stadskapitaaltje. Het verkleinwoord is hier op zijne plaats. We kunnen naast de opbrengst ervan die van alle stadsinkomsten stellen, wat ons voor Lübeck niet mogelijk was. De gemiddelde totaalsom der inkomsten is van 1401—1500 reeds gestegen tot 20.259 tffi, het gemiddelde bedrag der uitgaven van 1462—1500 tot 19.906 <ffi.

Voor de vergelijking heb ik er tevens bijgevoegd een staatje over de tolinkomsten, waaraan de stad vrij wat meer had. In de genoemde veertig jaren bereikten zij eene gemiddelde hoogte van 1377 12 /? 1 »i. Voor de hand ligt, dat zij dalen, terwijl de uitgaven voor de kasteelen stijgen.

Deze waren een schadepost, en toch had men de meeste moeite gehad om deze te verkrijgen. Alleen Glindesmoor met de vesting Moorburg had de stad gewoon gekocht van een burger; wapengeweld had de andere in hare handen geleverd. Ritzebüttel aan den mond der Elbe hadden de adellijke eigenaars haar in 1394 voor 200 M. afgestaan, nadat ze het hun „in openbarem kryge unde in rechter veyde mit eren afgewonnen" had. Bergedorf en Ripenburg waren in den gemeenschappelijken krijg met Lübeck op Krik van SaksenLauenburg veroverd. De stad had ze, evenals den tol Esslingen, telkens zes jaar. Ripenburg leverde wel eens wat voordeel op, maar Bergedorf kostte altijd geld. Gemiddeld kwamen de kasteelen de stad jaarlijks op 615 <ffi 2 /3 6 <j te staan ').

Na deze mededeelingen omtrent Lübeck en Hamburg kan het voor Bremen voldoende geacht worden te verwijzen naar de vroeger gemaakte opmerking, dat ook dit een zeer uitgestrekt stadsgebied aan zich had weten te onderwerpen a).

Was voor groote handelssteden als Lübeck en Bremen het bezitten van enkele sterkten tot dekking der toegangswegen noodzakelijk, andere waren toch ook verplicht den omtrek te zuiveren van onrustige en roofzieke buren en raakten dikwijls ten slotte ook in het bezit van sloten, die hen soms op zware kosten joegen zonder bepaald onontbeerlijk te wezen voor hun welzijn.

Het eenvoudigste was, dat zij zich het openingsrecht van de omliggende burchten verwierven. Zoo deed Spiers met enkele daarvan ■').

1) De goederen bij de kasteelen leverde wel wat op, maar niet voldoende om de ko9ten van onderhoud en bezetting te dekken.

2) Zie boven, blz. 80 en Rremische Jahrbücher, 1868.

3) Speirer Urkb., S. 115: in Crobsberg, waarvan het ook de helft bezat (1285). S. 307 bewijst, dat het ook het openingsrecht in Ochsenberg bezat (1328).

Sluiten