Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevrijden van dc gevaarlijke uitwassen, die zoo lang van zijne levenskrachten geteerd hadden. En toen na de hervorming van het gemeentelijk beheer eene officieele memorie opgesteld werd, die een overzicht bevatte van wat voor het herstel der geregelde toestanden gedaan was, een terugblik op het verleden en tevens eene waarschuwing voor de komende geslachten, toen werd daarin een hoofdstuk ^opgenomen met den titel: Ok so moghen sek alle steden gerne hoden vor der herschop sloten

Trekken wij nu uit het voorgaande de conclusies, dan blijkt dat er twee soorten van bezittingen waren: nl. productieve, zooals landerijen, dorpen, steden, en improductieve, zooals sloten. Vervolgens, dat het bezit der goederen van de eerste categorie óf de stad reeds in de wieg meegegeven en dooi- haar systematisch ontwikkeld was óf door haar later was verkregen. In dit laatste geval was het dikwijls door haar begeerd, omdat hare burgers het gebruiken konden; of omdat zij door een minder ouderwetsche exploitatie daarvan meer financieele voordeelen kon plukken dan de oude bezitters deden; ook wel omdat zij een belegging zocht voor haar kapitaal, levens trachtte zij daardoor haar staatkundigen invloed in ruinier kring te bevestigen (vooral door bezit van steden) en hare veiligheid te verzekeren. In alle gevallen toonen zij zich slechts bedacht op hare eigen belangen en sloot de verworven goederen geheel uit van de zegeningen, die deze hadden kunnen genieten, wanneer zij als deel van de stad waren beschouwd. Toch verhoogden ze niet altijd de welvaart der stad, maar dan waren het vaak eigendommen, welke de stad op de hals geschoven waren. Dit geldt voornamelijk van de goederen der tweede soort. Deze konden geen andere bestemming hebben dan om de veiligheid der stad te verzekeren. Wel deden zij dit maar onvolkomen, maar geheel ontberen konden vooral de groote handelssteden ze daarvoor niet.

b. Nederlandsche steden.

Het ligt in den aard der zaak, dat bij eene beschouwing van de stadsgoederen buiten de vrijheid het materiaal veel meer voor

1) Ib., S. 134, Heimliohe Rechenschaft, Cap, VI: ....wente de van Brunswig hebben sek des wol vorsocht myt den pandsloten, de se manneghe tiid hebben gehat von der herschap unde se hebben enkede (sic) bevonden, al wii raanneehffalder schaden, koste, slete unde unwijse de se leden, unde hadden manneghe tiid, dat der neyn en was, dar de stad unde de Rad alzo sere torucghe ghinghen unde in so overgroten schaden van quemen, alze van den vorghescreven sloten, wente de Rat gaff uppe eyne tiid in eynem jare neghen hundert und XXV lodeghe mark dar up to tynse, boven alle andere koste, slete, buwent unde sunderke borchhode, dat ok des jares uppe grod geit lep. wente wen jennioh krich upstund iu dem brunswigschen lande edder tyghen dat brunswigsche land van ffromeder hersohop edder van oren guden luden, welk gud man denne des Rades pandslod inne hadde, de sande danne in de stad, deme moste me denne schutten senden, de me de slote hulpen vorwaren. dat quarn der stad so uppe koste.

Sluiten