Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het grijpen ligt dan bij een onderzoek naar de stadsbezittingen binnen dit gebied. Buiten de vrijheid stuitte de stad op machten, wier rechten tegenover de hare noodzakelijk door contracten moest warden bepaald en voor wie onnauwkeurigheid of onduidelijkheid daarvan gemakkelijk eene aanleiding kon worden om de grens tusschen de wederzijdsche aanspraken op eene voor haar nadeelige wijze te verleggen. De oorkondenboeken geven dus gewoonlijk voldoende licht omtrent den aard en den omvang der stedelijke goederen. En waar deze te kort schieten, daar kunnen de rekeningen nog vrij volledige inrichtingen daaromtrent geven.

De buitenbezittingen vormden, zooals gezegd is, geen deel van het eigenlijke stadslichaam, ook al hadden zij een eigen bevolking; de belangen van deze stonden geheel op den achtergrond bij die van de eigenaresse. De stad waardeerde ze slechts naar het voordeel, dat ze opleverden; en al kon dit ook niet altijd in geldelijke baten bestaan, zij werd in hare behandeling van die aangehechte stukken niet geleid door overwegingen van het algemeen belang, welke haar wel eens moesten doen afschrikken van eene zuiver financieele exploitatie der deelen van het „Weichbild" zelf. De opbrengst ervan kwam bovendien dikwijls in de publieke kas terecht, omdat soms de aard der bezittingen en bijna altijd hare betrekkelijke afgelegenheid deze te ongeschikt maakte om door de burgers zelve overgenomen en gebruikt te worden.

Alhoewel nu de oorkonden — zij het dan niet de rekeningen — van deze streken voor ons natuurlijk veel lichter bereikbaar zijn dan die van het tegenwoordige Duitsche rijk, toch brengen zij ons maar zeer weinig mededeelingen omtrent een stadsbezit als waarvan zoo vele stedelijke oorkondenboeken in Duitschland spreken. Voor de graafschappen Holland en Zeeland en ook voor het hertogdom Gelre laat zich dat gemakkelijk verklaren uit de groote landsheerlijke macht, die steeds met succes de steden onder den duim wist te houden en het opkomen van stadsheerschappijen voorkwam. In Gelre met haar betrekkelijk veel zwakker steden was dit gemakkelijker dan in de beide genoemde graafschappen, maar daarvoor was de regeering der graven zooveel krachtiger, dat ook daar het zelfbewustzijn der steden zelden de banden verbrak der onderdanigheid, waarin de vorst haar hield. Maar toen zij zich van hem geëmancipeerd hadden en vrij om zich heen konden grijpen, hebben zij hare omgeving naar zich toegehaald en in eene omarming gevangen, die deze oeconomisch bijna dooddrukte. Eerst op het einde der 16e eeuw, maar nog veel meer in de volgende eeuwen, hebben de Hollandsche steden b.v. de vele heerlijkheden gekocht, die haar veroorloofden hunne levenssappen te trekken uit eene grootere oppervlakte, dan die waarop zij zelf waren gegroeid.

Het gunstigst voor de ontwikkeling van groote stadsgebieden waren de voorwaarden in het Sticht, maar toch zijn zij ook hier niet uitgewassen tot dien buitensporigen omvang van elders. In de

Sluiten