Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15e eeuw gebrekkig te worden, doordat de mondingen zoo ondiep werden, dat ze slechts door waterwerken in bevaarbaren staat gehouden konden worden. En de zee, waartoe deze toegang verleenden, was niet meer dan een zeeboezem. In den eersten tijd had het verkeer met de landen, die er omheen lagen, de IJselsteden tot eene zekere ontwikkeling kunnen brengen, doch zij zouden al vroeg op het eenmaal bereikte punt zijn blijven staan, wanneer zij niet handelsbetrekkingen met verder afgelegen streken hadden aangeknoopt. Dit deden zij nu ook wel, zij sloten zich aan bij de Hanze; doch in dit tijdperk, toen de handel langere banen volgde en de ligging ten opzichte van het grootere zeebekken, van de Noordzee, de plaats bepaalde, welke de steden innamen in de rij der handelsplaatsen, moesten Kampen en Deventer terugwijken voor de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche havens. Deze hadden daarbij het voordeel van te behooren tot de Bourgondische monarchie, die haar in het binnenland een steeds grooter afzetgebied voor hunne waren, tegenover het buitenland eene krachtdadige bescherming verleende. Plaatsen als Amsterdam, Rotterdam, Middelburg en Antwerpen konden hunne koopmanschap drijven tot diep in Frankrijk, zonder de grenzen van het Bourgondische rijk te overschrijden; het ontzag, dat men voor hare vorsten had, waarborgde haar veiligheid in geheel West-Europa en ze hadden voor hare verdediging weinig te zorgen in vergelijking met de steden in Overijsel, die zichzelf moesten redden tegenover hare eigen vijanden en die van den bisschop.

Alleen Groningen was in eene goede positie om zich een stadsgebied te verwerven. Het eenige handelscentrum in het Noorden, eerst tegen het einde der middeleeuwen het doel van den ernstigen aanval van een vorst, had het zoo goed als de vrije hand om het geheele Noorden oeconomisch aan zich te onderwerpen. Wel genoot de stad geen steun van den landsheer in hare moeilijkheden, maar dien zou de bisschop ook niet gegeven hebben, ware hij bij machte geweest hem te verleenen. De voortdurende veeten, die zij voerde met het omringende land, waren geen offensieve strijd deilandbevolking tegen hare onafhankelijkheid of eene brutale aanranding van hare welvaart, zooals de oneenigheden van de Overijselsche roofridders met de IJselsteden; ze droegen sedert het einde der 14" eeuw liet karakter van een verweer tegen de pogingen deikoopstad om hare omgeving oeconomisch te verlammen. Maar ook zij werd gestuit in haar streven om de hegemonie over het platteland te bevestigen tot eene heerschappij, toen de omringende vorsten door de wapenen hunnen aanspraken op de stad zooveel klem bijzetten, dat zij meer bedacht moest zijn op het behoud van hare macht dan op de uitbreiding ervan.

Zijn dus over 't algemeen de omstandigheden in ons land niet gunstig geweest voor de vorming van stadsterritoriën, de neiging ertoe bestond natuurlijk hier even goed als elders. Deze komt

Sluiten