Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodzakelijk en dadelijk uitvloeisel van de handelsontwikkeling der Sallandsche steden. Doch ook bij deze verwerving waren zij het, die de beurs moesten trekken om den heer van Kuinre te bewegen zijne sterkte op te geven (1407) en hadden zij het meest wezenlijke voordeel, nl. invloed op de aanstelling van den slotvoogden de beveiliging van den weg naar Friesland ').

Een sporadisch geval van binnenlandsche rustverstoring maakte ook nog eens een optreden in Overijsel noodzakelijk. Everwijn van Gutterswijk, later graaf van Bentheim, plunderde in Twente. Hij moest evenwel zijn overmoed betalen met het verlies van zijn kasteel Nijenhuis in 1418, waarop de bisschop, met toestemming der steden, Wolter van Koevorden als ambtman aanstelde 8).

Zoo was dan het resultaat bereikt, waarvan de boven aangehaalde oorkonde van Zweder van Kuilenburg getuigt. In zes groote kasteden zetelde een ambtman, die zijn post aan de welwillendheid der steden te danken had, die in Arkelstein zelfs een burger moest zijn en die in sommige tot hulp, in alle tot onzijdigheid verplicht was. Het huis Te Holten was bovendien zoo goed als een stedelijk eigendom. Overigens zien wij ook hier, dat de steden van geen deisloten eigenaar werden. Zij kunnen dit evenwel niet gewenscht hebben: voor agressieve doeleinden wenschten zij ze niet; om ze zelf voortdurend in een behoorlijken staat van tegenweer te houden, daarop was eene stad niet ingericht, dat moest een burchtheer doen. Voldoende was het de kasteelen in stand te houden voor het geval, dat het land in gevaar kwam, zonder dat zij hen, tot wier verdediging zij dienden, konden schaden.

De invloedssfeer van de steden was dus nu uitgebreid tot over de grenzen van hun gewest. Onder Jan van Arkel was men begonnen de orde daarbinnen te herstellen; zijne opvolgers, mannen van minder initiatief en geringer geestkracht, waren minder stelselmatig voortgegaan, misschien meer voortgedreven in de richting, waarin hij de landsheerlijke en stedelijke politiek gestuwd had. Toen Frederik van Blankenheim de regeering aanvaardde, was dit gedeelte van de taak af en hij behoefde maar steun nog voor ondernemingen, die de bisschoppelijke hoogheid tot over de Noordelijkste deelen van het Sticht moesten bevestigen. De oeconomische behoefte der steden om hare suprematie op te dringen aan die streken van Drente en Friesland, welke aan Overijsel paalden, leverde hem de kracht om deze tot erkenning van zijn gezag te brengen. Wat deze evenwel slechts, behalve door zijne

1) L. Schmedding, De Regeering van Frederik van Blankenheim, 1890, blz. 89 vlg. De beveiliging van den zeehandel der steden werd hem uitdrukkelijk opgedragen. De heer van Kuinre kreeg 6.200 oude Fransche schilden, maar hij werd grootendeels met rentebrieven betaald. Door den bisschop met eene van 100 Sch., door de steden met eene van 300 Schilden jaarlijks: Dumb. Deventer, II, blz. 31 vlg.

2) Schmedding, blz. 105 vlg. Over. Chron., blz. 403 vlg.

Sluiten