Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedijkt werd, kregen de ingelanden van het nieuwe land geschil met den rentmeester van den ambachtsheer over het aantal jaren, dat de polder tiendvrij zou blijven. Het gevolg was, dat de spade in den dijk gestoken werd. Om de kwestie uit te maken werden burgemeester, schepenen en raden van Dordrecht aangewezen als scheidslieden. Dezen werd daarvoor het recht toegekend, dat steeds het grootste deel der heemraden binnen de stad woonachtig zou moeten zijn. Het stadsbestuur zorgde wel, dat dit recht werd vermeld in zijne arbitrale uitspraak van 1443, waardoor het de zoo noodige eendracht herstelde en dus tevens het overwicht der stad in deze dijksaangelegenheden bevestigde ')• In de Alblasser Waard hadden in 1421 de daar geerfde Dordtsche poorters twee hoogheemraden mogen stellen, die van Schoonhoven één. Dit privilege werd voor acht jaren verleend. Daarbij mochten dezelfde burgers van Dordrecht gedurende zes jaar den dijkgraaf benoemen 2). In 1483 kreeg de stad een nieuw voorrecht en nu voorgoed. De dijkgraaf zou namelijk poorter van Dordrecht moeten zijn, evenals drie van de acht heemraden. Deze laatsten werden aangewezen door het gerecht van de stad 3). Van den Grooten Waard moest na 1374 één van de zeven heemraden binnen Dordrecht, één binnen Geertruidenberg gekozen worden 4). Van 1418 af moesten dijkgraaf, baljuw, schout en rentmeester van het waterschap binnen Dordrecht woonachtig en aldaar poorter zijn 5). Het bestuur van de Krimpener Waard berustte sedert 1430 bijna geheel bij Dordrecht, Gouda en Schoonhoven. Elk der genoemde steden stelde er twee van de zeven heemraden aan B).

Even verlangend als de steden in het Zuiden van Holland waren naar de zorg voor de polderdijken, waren die in het Noorden het naar het toezicht op den Westfrieschen zeedijk. In 1478 zagen zij aan hare begeerte voldaan: van de acht hoogheemraden mocht Haarlem voortaan twee, Amsterdam, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik elk één benoemen7). — In Zeeland had de stad Zierikzee een soortgelijk privilege voor het ambacht, waarin zij gelegen was, het z. g. Quaelambacht, later meest Poortambacht genoemd. De keuze van den dijkgraaf daarover berustte sedert 1445 in hare hand 8). Later kreeg zij zelfs een oppertoezicht over dijkgraven en gezworenen in 't Land van Schouwen met het recht om

1) Van de Wall, II, blz. 540 vlgg.

2) Van Mieris, IV, blz. 593.

3) Van de Wall, IV, blz. 706 vlgg.

4) Van de Wall, II, blz. 309, 372 vlgg. Wie de keuze moesten doen, wordt niet duidelijk gezegd.

5) Ib., I, blz. 449.

6) Van Mieris, IV, blz. 976.

7) Handv. v. Haarlem, blz. 141 vlgg.

8) Boxhorn, Chronycke v. Zeelandt, I, blz. 321 en Boerg. Chs., n°. 88.

Sluiten