Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten en haar handwerksmonopolie te doen bukken tot een beslissend einde brengen ').

Onder het landsheerlijk bewind kwam aankoop van heerlijkheden slechts sporadisch voor. Zoo kocht Gouda in 14:38 voor 2800 R.Gld. van een kanunnik van Oud-Munster te Utrecht, Jan van Treslong, de heerlijkheid van Stein. De burger Jan Woutersz. werd leendrager voor de stad. Verzuim in het vervullen van de verkoopsvoorwaarden deed deze bezitting terugvallen aan het kapittel, waarvan de stad ze in 1182 opnieuw moest koopen of liever in erfpacht nemen. Zij betaalde 1000 R.Gld. ineens en jaarlijks voortaan 4 oude Fransche schilden. Daarvoor kreeg zij het hooge en het lage gerecht, tijns en tienden; schout of baljuw presenteerde zij aan het kapittel'). De accijnskwestie had ook hierbij zwaar gewogen. In het verkoopcontract wordt tenminste uitdrukkelijk gezegd, dat de inwoners van Stein vrij zijn van belasting op bier, voor zoover zij dit voor eigen gebruik in huis hebben, maar tappers betalen den stadsaccijns. Duidelijk spreekt dit ook in de ordonnantie, die de regeerders der stad in 1406 voor het klooster Emmaus (ook wel Stein genoemd en in de gelijknamige heerlijkheid gelegen) vaststelden, tegelijk met eene verordening voor het Mariaklooster in de stad. Dit laatste werd namelijk vrijgesteld van pondgeld, accijnsen, keuren en „ongelden", het eerste alleen van pondgeld 3). Blijkbaar vreesde men, dat daar in stilte getapt zou worden. Behalve Stein bezat de stad ook de heerlijkheid Bloemendaal, waarschijnlijk om soortgelijke redenen bij de stad gevoegd 4).

Anders dan in Gouda lag het geval in Amsterdam, dat in 1529 de ambachtsheerlijkheden Amstelveen, Sloten, Sloterdijk en Osdorp kocht van den heer van Brederode. Het was hier wel toe gedwongen, omdat de heer van de genoemde plaatsen aanspraak maakte op de jurisdictie en het recht op belastingheffing tot diep in de stad. Dat hij haar privilege erkende om misdadigers te vatten binnen 100 roeden van de vesten of daaruit te bannen, daarvan was natuurlijk geen sprake. Toen een proces over deze zaak slepende bleef, heeft zij ten slotte den knoop doorgehakt en de heerlijkheden van haren eigenaar gekocht voor 3000 Car. gld. in eens en eene jaarlijksche erfrente van 500 gld.s). Karei V toonde echter duidelijk, dat een dergelijk bezit in handen eener machtige stad hem niet welgevallig was. Eerst in 1531 verleende hij zijne goedkeuring aan den koop en op de volgende bezwarende bepalingen: de heerlijkheden zouden voor de koopsom, die de stad betaald had,

1) Handv. v. Leiden, blz. 674 vlgg., 723 vlgg., 756 vlgg.

2) Walvis, Gouda, I, blz. 43 vlgg ; II, blz. 124 vlg.

3) Ib., II, blz. 161 vlgg.

4) Inform., blz. 374. Walvis, I, blz. 40 noemt er meer, doch vermeldt niet, hoe en wanneer de stad ze verworven heeft.

5) Ter Gouw, Amsterdam, IV blz. 168 vlgg.

Sluiten