is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat eene stad die functie op zich nam, is mij weinig voorgekomen. Het meest in 't oog springende voorbeeld, maar dat vrij wat na de middeleeuwen valt, levert Deventer. In 1576 nam dit van Philips II het goed te Kolmscliate in pand. Het was een zeer begeerlijke bezitting, zooals men mag opmaken uit de reusachtige som ervoor betaald: 40.000 "tD Vlaamsch. Daarbij was het goed belast met renten tot een bedrag van 14.000 "ÜÏ VI. De stad gaf er dus voor 54.000 h£ \ 1., d. i. in de toen algemeen gebruikelijke wijze van rekenen naar het pond van 40 grooten, 324.000 <8 '). Daarvoor kreeg zij dan ook een klein vorstendommetje; zij had er de volkomen rechtsmacht, ook het hooge gerecht, zooals dat vroeger door den drost van Salland bediend was, den accijns in de kerspelen van Deventer, Olst, Bathmen en Holten, en een deel der goederen was aan haar leenroerig. Daarnaast was het een uitgestrekt landgoed met vier centrale hoven: die te Colmschate, Borgel, Gietele en Olst. Sterk spreekt hier het verschil tusschen eigenaar en eigendom; nog in het eind der 18de eeuw had Deventer hier zijne hoorigen 2).

Eene verwerving als deze door eene stad is eene uitzondering, maar laat zich wel verklaren uit de meer dan gewone machtsvermeerdering, die de omvang en vooral de aard der bezittingen aan de koopster brachten. Geeft Deventer alzoo eene afwijking te zien van de gewone verhouding, waarin de stad zich stelt tegenover hare omgeving, ook Philips II kwam hier in strijd met de beginselen, door zijn vader gehuldigd. Maar 't was in het jaar 1576 en nood breekt wet. In tijden van geldverlegenheid was ook Karei V wel eens genoopt geweest zijne principes te verloochenen. De slechte toestand zijner financiën had hem in 1555 ertoe gebracht aan Delft voor 19.000 iC de ambachtsheerlijkheid Schoonderloo, Mitcoel en verschillende inkomsten uit Pijnacker te verkoopen. Het was eigenlijk bedoeld als eene leening; de vorst behield zich het recht van wederkoop voor en de opbrengst dezer domeinen moest dienen als rente. De stad moest er zelf geld voor opnemen en, indien de inkomsten uit de goederen onvoldoende bleken om daarvan den interest te voldoen, zou zij, wat zij te kort kwam, mogen korten op hare bede en zoo noodig ook nog aanwijzingen krijgen op andere grafelijke eigendommen. Van den wederkoop is niet gekomen en zoo is zij blijven hangen aan hare heerlijkheid. Van 1555 af stelde zij daalden schout aan en deed verder, wat des ambachtsheers was 3).

In het voorgaande was gewoonlijk wel iets te bemerken van de redenen, die tot de verwerving der heerlijkheden leidden; daarnaast staan echter ook voorbeelden, waarin wij even weinig als in do gevallen, uit Duitschland genoemd, liooren, waarom de stad eene heerlijkheid verwerft en waarbij slechts geraden kan worden om

•1) Tegenw. Staat v. Overjjael, III, blz. 270 vlgg.

2) Tegenw. Staat v. Overijsel, blz. 272 vlgg.

3) Van Bleyswijck, I, blz. 94 vlgg.