is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Damsterdiep. Emden was in dezen tijd in de handen van Hamburg en de stad moest ervoor zorgen door een vast punt den vrijen uitgang naar zee te behouden. Ripperda legde voor de dreigende houding der stad het hoofd in de schoot en verklaarde zijn slot tot een open huis voor Groningen'). Met dit optreden van Groningen hangt zeker samen, dat in het volgende jaar de dorpen langs de Eems, w. o. Farnisum, die zich niet hadden aangesloten bij het verbond in 1434 door Hunsingo en Fivelgo met de stad aangegaan, zich daarbij voegden. Van hoeveel belang dit ook voor den Groningschen handel mocht zijn, van nog grooter gewicht was het verdrag met de meeste dorpen uit het Oldambt, gesloten nog in datzelfde jaar, waarbij de rechtspraak in hooger beroep in de stad gelegd werda). Dit geschiedde gedurende een tweejarigen wapenstilstand met de Hamburgers, die deze verplichtte zich van vijandelijkheden te onthouden. Al was er een vredestoestand, toch bleven de laatsten gevaarlijke mededingers aan deze zijde van de Eems, vooral doordat zij de beide machtigste heeren in het Oldambt aan hunne zijde hadden. Ailco Houwerda van Termunten had na de les, aan Ilayo Ripperda toegediend, Ilamburgsch garnizoen ingenomen; Eppo Gockinga, een zwager van Edzard van Greetziel, wonende te Zuidbroek, stond ook met hen in verbinding. Deze beide beheerschten het Oldambt en beiden bemoeilijkten den handel der Groningers in hooge mate. Dat het dezen evenwel niet om vrijmaking van dien handel, maar om monopoliseering daarvan te doen was, blijkt uit het geschil, dat in 1437 een nieuwen wapenstilstand, in dat jaar met Hamburg gesloten, dreigde te verstoren. Zij confisqueerden schip en lading van een Emdensch koopman, die koren uit de Ommelanden gekocht had en dat nu wilde uitvoeren. Het was voor de stad eene levensvraag, of zij zich hare omgeving voor haren handel zou kunnen reserveeren, dan of zij daarin Hamburg toelaten en ten slotte, evenals Emden, zich zou laten vastwikkelen in het net, dat de Elbestad om haar heen spon. De vrede kon wel voor het oog gehandhaafd blijven, kleine handelgeschillen als het bovengenoemde, duidden toch reeds op de tegenstrijdigheid van de belangen der contracteerende steden. Want het bovengenoemde geval was niet het eenige: een Hamburgsch scheepsbevelhebber lag bij Rottum en plunderde de vaartuigen der Groningers, de Oldambster hoofdelingen gingen door met den kooplieden allerlei moeilijkheden in den weg te leggen; alles zonder openlijke toestemming van Hamburg, maar toch met hulpmiddelen, hoofdzakelijk door die stad verstrekt'). Een cordaat optreden van Groningen bracht in 1438 de oplossing. Onverwachts

1) Ubbo Emmius, Lib. XXII, p. 334 seq. De oorkonde van het verdrag met de stad: Kroniek van Rengers ten Post, ed. II. O. Feith, blz. 14*2 vlgg. Verdrag vernieuwd 1435: Register v. h. Archief te Groningen, door H. O. Feith, blz. 87, n". 4.

2) Ubbo Emiuius, lb., p. 335 seq.

3) U. Emmius, XXII, p. 342 seq.