Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groningen 0111 hulp wendden '). De stad moest wel genegen zijn om hen bij te staan; /.ij had zelf twist met Hayo gehad over de dorpen Blijham en Bellingwolde, die volgens haar onder 't Oldambt behoorden. Bovendien had zij allerlei belemmeringen in haren handel ondervonden, maar waarschijnlijk vreesde zij ook, dat een ander, misschien de graaf van Oost-Friesland, de taak van beschermer van het recht op zich nemen en zich daardoor zou vastzetten in het land. Reeds in 1448 had de stad moeite gehad om Hamburg en Ulrich van Cirksena te bewegen Eggo niet gewapenderhand tot rede te brengen 2). In 1478 rukten de Groningers voor het slot te Wedde en veroverden liet3).

Een sterk kasteel, de Pekelborg, werd te Winschoten gebouwd, waarop voortaan de ambtman van Groningen zetelde. Onder dezen werd tevens een deel van het Oldambt geplaatst, terwijl liet overblijvende stuk, de kleidorpen, als een afzonderlijk district onder den kastelein van Oterduin gesteld werd 4). Westerwolde werd den Groningers voor 2000 R.G. door den bisschop van Munster in pand gegeven; de rechter van het land zou door hen gekozen mogen worden. Zoo hadden zij zich een stevigen voormuur naar het Oosten gevormd, waardoor aan de steeds dreigende uitbreiding van het graafschap Oost-Friesland een grens werd gesteld. Tevens dachten zij het handelsverkeer langs de Eems onmiddellijk naar hunne stad te leiden door een kanaal, dat van die rivier naar Bellingwolde gegraven zou worden5). Dit alles leek niet te duur betaald met tien a twaalf duizend Rijnsche gld. krijgskosten, '2000 R, gld. voor den bisschop en 40 ton boter voor zijne raden. Doch later bleek, dat men geen waar voor zijn geld ontvangen had; het plan tot het graven van een kanaal was onuitvoerbaar en de rechten der stad op het landschap niet voldoende verzekerd tegenover een krachtigen bisschop fi).

Reeds vroeger had zich Kollumerland om steun gewend tot Groningen, de eenige macht in liet Noorden, van wie men kon verwachten, dat ze in staat was de voortdurende gisting, waarin het Westerlauwersche Friesland toen verkeerde, te smoren. In 1467 werd het verdrag gesloten met de stad, volgens hetwelk zij de veiligheid zou handhaven en eene strenge en rechtvaardige rechtspraak, zoo noodig met geweld, zou doen eerbiedigen. Zij kreeg

t) In 1447 hadden de Groningers een verdrag met de Westerwolders gesloten, waarbij o. a. bepaald was, dat de rechtspraak in hooger beroep bij den Groninger raad zou zijn en dat men Duitsohe en andere heeren buiten het landschap heuden zou: R. Fruin, Gesch. v. Westerwolde (1886), blz. 123 vlg. In 1459 hadden zich de Westerwolders gesteld onder den bisschop van Munster: Ib. blz. 1 '28 vlgg.

2) Emmius, XXIII. p. 364 seq.

3) Fruin, blz. 139.

4) Sicke Benn. (Brouerius v. Nid. 1), blz. 11 vlg.

5) Fruin, blz. 141 vlgg.

6) Hierover de spijtige woorden bij Sicke Benn., blz. 13.

Sluiten