Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvoor een lmisgeld en do holft van alle boeten. Bovendien moesten de inwoners hunne krachten leenen tot den bouw en het onderhoud van een kasteel voor den stedelijken ambtenaar '). Al spoedig, in 1468, gevoelden de weerbarstige edelen daar den ijzeren greep der stad. Eenige ontevredenen hadden de stins te Westergeest bezet, maar het huis werd door de Groninger krijgsmacht met geschut belegerd. De hoofden waren vooraf reeds'geweken en ze konden geen voldoende hulp krijgen om de vesting te ontzetten. Deze moest zich overgeven en werd geslecht. Worp van Kinsumageest, op wiens bijstand de ontevredenen gehoopt hadden, kon zijn eigen huis slechts behouden door de belofte, dat hij aan de stad schadevergoeding betalen en haar eeuwige trouw zweren zou. De drie steenen huizen op Kollumerzwaag moesten door hunne eigenaars zelve gesloopt worden. Ondertusschen verrees er een stedelijke burcht en nog in 'tzelfde jaar kwam ze gereed *). Weldra, in 1477, sloot de stad een verbond met Oostergoo en Westergoo. Dit was wel eene versterking van haren invloed over de Lauwers, doch te gelijk bond het haar eenigszins de handen: ze moest nl. beloven voor den duur der overeenkomst — 10 jaar — geen onderdeden dezer kwartieren in zoo'n afzonderlijk verdrag te betrekken, als ze met Kollumerland gedaan had 3).

Maar zoodra was de termijn niet verstreken, of de vier kerspelen van Smallingerland verbonden zich weer nauw aan de stad. De keuze van den grietman en de dorpsrechters werd aan de Groninger hoofdmannen gelaten, die daarvoor de toestemming moesten hebben van drie of vier „goede mannen" uit de grietenij. Van dezen kon geappelleerd worden op den Groninger raad. Ook werd gedacht over de noodzakelijkheid om daar een burcht te bouwen4).

1) Sicke Benn., blz. 7 vlgg.; Lemego, blz. 136 vlg.: Het verbond was met Kollumerland, Kollumerburen, Oudewoude en Westergeest, samen Oostbroeksterland. In 1444 wordt Oostbroeksterland gezegd te bestaan uit Kollumerland, Kollumerzwaag en Westergeest: Sohwarzenberg, Friesch Cbarterb., I, blz. 526. Verder hierover: Andreae, Bijdrage tot de burgerl. en wereldl. indeeling van Friesland in De Vrije Fries, XIV, blz. 306, 309.

2) Lemego, blz. 141 vlg. Ik zie geen reden om het jaartal 1468. hier opgegeven, te veranderen in 1467, zooals Mr. Feith wenscht. Ook bij Sieke Benn., blz. 11, wordt dit optreden tegen het huis te Westergeest geplaatst na het verbond met Kollumerland en niet omgekeerd het verbond voorgesteld als een gevolg van den krijgstocht der Groningers. „Als de Oostbroeckster en Colmer dat verbundt mitter stadt angenoomen hadden, soo van geschreven is, soo weeren hijr noch contrarie in 1'ybe Meckema, Pybe Bauwema" etc. en dan volgt het hier meegedeelde verhaal. Ook het daar meegedeelde uit het vredesverdrag, in 1468 door Stad en Ommelanden met twee der ontevredenen en de gemeente Dantumadeel gesloten, is ermee in overeenstemming.

3) Worp van Tliabor, IV (ed. Fr. Gen., 1847), bl/.. 128 vlgg. of Schwarzenbere Cbarterb., I, blz. 669 vlg. ë'

4) Feith, Register, blz. 229, i.a. 1487, no. 11 ; Emmius, XXX, blz. 453. Opsterland, dat reeds in 1471 een verdrag met Groningen had aangegaan, krachtens hetwelk

Sluiten