Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de volledigheid alleen voeg ik hier nog bij, dat het veer te Oterdum voor 25 gld. jaarlijks verpacht was. Het is duidelijk, dat deze kleintjes nog geen grootc vormden en dat de landerijen zoo goed als het eenige waren, dat een noemenswaardige geldelijke bate afwierp.

Naast deze directe voordeelen stonden echter veel grootere indirecte.

b. De rechtspraak. In het Oldambt waren de lagere gerechten vereenigd geweest in de handen der Houwerda's en Gockinga's en deze waren op de reeds gemelde wijze aan de stad gekomen. Van die gerechten was natuurlijk het hooger beroep bij haar. Dat er op deze wijze een rechtvaardiger rechtsbedeeling, gelijkmatiger toepassing van de rechtsregelen en strenger handhaving daarvan mogelijk was dan wanneer zooals elders in de Ommelanden de rechtspraak afwisselend berustte bij de bezitters der „heerden", behoeft geen betoog. En daarbij was de stad ten zeerste betrokken, omdat hare burgers vele eigendommen buiten hare muren hadden, maar vooral ook, omdat de handelsbetrekkingen met de omgeving en daarbuiten veiligheid en rechtszekerheid dringend vorderden. Daarbij was het haar niet onwelkom, dat zij door de rechtspraak te beheerschen invloed op de rechtswetgeving kon uitoefenen en waarschijnlijk ook, dat zij ze somtijds te haren voordeele kon verkrachten.

De stad had zich dan ook niet beperkt tot die Ommelanden, welke zij beheerschte op grond van bepaalde contracten van overdracht, zooals het Goorecht en het Oldambt; ook daarbuiten had zij door eene handige diplomatie, maar nog meer door eene langzame, maar steeds voortschrijdende machtsaanmatiging haar oppergezag weten te doen erkennen nu wel niet altijd, maar tenminste doen dulden. De geschiedenis van Stad en Lande 11a de erkenning van Karei V is tot 1795 eene doorloopende reeks van twisten van de Ommelanden met do stad, die hen maar steeds niet onder haar gezag weet te houden. En hare positie was uit een rechtskundig oogpunt steeds zwak. Terwijl de steden in Holland hare aanspraken tegenover den omtrek grondden op grafelijke privileges, gewoonlijk voor een onbepaalden termijn geschonken, moest de stad teruggaan op verbonden, door haar met hare omgeving voor een zekeren tijd aangegaan, maar na afloop daarvan opzegbaar door één van beide partijen, bovendien verbonden, die in de verte niet weergaven de verhouding, welke in hun tijd tusschen de contracteerende deelen bestond. Naast de officieele theorie dezer charters, waarin stad en land als gelijkgerechtigden een verdrag met elkaar sloten, stond een stilzwijgend aangenomen practijk, die de landbewoners onderdanig maakte aan de stad. Hoe gevaarlijk een verbond tusschen den sterke en den zwakke, i. c. de stad en een landdistrict was, wordt eenigszins geïllustreerd door het volgende. 24 Januari 1419 sloten Hunsingoo, Fivelgoo en Groot Adewert een verbond

Sluiten