Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grote costen unde schaden hedarveden to liggen, so plegen dan biswilen de warffsheren den hoefftlueden to substitueren und committeren in sekere kleine saicken om de tusschen warven to verclaren." Dit is de voorstelling, die Johan Rengers van dezen overgang geeft '), en zij zal wel in hoofdzaak juist zijn. In allen gevalle in het traetaat, dat de stad met den hertog van Gelre sloot, wordt gesproken van zaken, die de hoofdmannen buiten de warven om berechtten1). Tegenover een landsheer, bij wien men geene neiging behoefde te veronderstellen om zich aan eene gewoonte te houden, wanneer die met zijne belangen in strijd kwam, en die ook in staat was om ondanks het verzet van de stad daarmee te breken, moest deze wel eene verklaring eischen, dat hij liet oude gebruik niet zou schenden, en kon men het niet, als in de vroegere verbondscontracten, met stilzwijgen voorbijgaan. En blijkens de costume, die van 1521—1560 gevolgd werd, had de kamer reeds een groot aantal zaken tot hare bijzondere competentie gemaakt, vooral over renten en schulden van stedelingen tegenover Ommelanders, wat zeer begrijpelijk is, wanneer men denkt aan den grooten handel, die de stad dreef; verder de gevallen, waarin de landrechters incompetent of partijdig waren, waarin ze recht weigerden en in vele appelzaken 3). De laatste bepalingen gaven de kamer eene uitstekende gelegenheid om op de landgerechten druk uit te oefenen, vooral ook door den toen gebruikelijken vorm van het appel, dat niet in eene nieuwe behandeling van de zaak bestond, maar in een proces tusschen den veroordeelde en den rechter, die hem naar zijne meening onrechtvaardig gevonnist had 4).

De invloed van de stad op de wetgeving was door haar verbond met de Ommelanden in zooverre gevestigd, dat de hoofdmannen meewerkten tot de z. g. warfsconstituties, algemeene rechtsregels.

steden opgeroepen werden: R. Fruin, Geseh. der Staatsinstellingen (uitgeg. door H. T. Colenbrander, 1901), blz. 75 vlg.

1) I, blz. 167.

2) Fockema Andreae, 1.1. blz. 121.

3) Fockema Andreae, blz. 121 ylg. De warven waren evenwel niet een reohtbank, waar men van het stadsgerecht in appel komen kon. Men appelleerde dan '»ij nvöllö gerecht , d. z. burgemeesters en raden: T. P. Tresling, De warven en de Hoofdmannenkamer (1839), blz. 59, 129 vlg.

4) Het „schelden' van het oordeel, de „lakinge'' was de gewone vorm van het beroep: Schrüder, Rechtsgesch, S. 365 f., S. 75fó f. De oordeelvinder is hierbij gedaagde; volgens de verbondsbrieven van 1428, 1473 en 1482 moet hij komen om „sine doem te verantwoerden". Degene, die in eersten aanleg in 't gelijk gesteld is, komt niet op. Zeer duideljjk komt dit uit in het Landrecht van Selwerd van 11-82: „dat ordel steit die meente tlio ' heet het daar. Wil iemand nu in appel gaan, dan moet hij „sine beropinge doen up die meente ende niet up die parten" (partijen): Pro Exc. Jure P., VI, blz. 625 vlgg. De schout was evenwel in andere Ommelanden in dezen tijd tevens een van de oordeelvinders, in sommige misschien zelfs de eenige: F. Andreae, 1.1., blz. 95.

Sluiten