is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. Even weinig als van deze bijzondere ontwikkeling der rechtspraak spreken de oorkonden der 15de eeuw van de pogingen der stad, 0111 allen handel in zich te concentreeren, of, 0111 de gewone uitdrukking te gebruiken, van haar streven naar het stapelrecht.

Dat ze het aan het Goorecht en het Oldambt opdrong zonder daartoe door een bepaald tractaat gemachtigd te wezen, is nog te begrijpen; zij kon hier desnoods volstaan, met aan hare ambtmannen te bevelen, dat zij er de hand aan zouden houden; maar wel moet het eenigszins bevreemden, dat er in de verdragen met de Ommelanden niet van gerept wordt. Ook in dezen schijnt zij er mee tevreden geweest te zijn, dat men zich schikte in den feitelijken toestand, en verder maar niet aangedrongen te hebben op eene ofliciëele erkenning in den vorm van een bondsartikel.

Men zou geneigd zijn te denken, dat het stapelrecht eerst tegen het einde der 15de eeuw ontstaan was en zich nog in zijne ontwikkeling bevond, toen de verbonden tot stand kwamen. Niets is minder waar dan dat. lleeds in 1434 in het verdrag met de Ripperda's van Farmsum beloven deze zich tegen den „stapel van alreleye kopenscap, de to Groningen gheleglit is," niet te zullen verzetten '). En de beginselen, waaruit het stapelrecht ontstond, liggen in nog vroegeren tijd. Volgens het Oldermansboek (1434—1430) kon al „in voertijden" van den „gemenen coepman" den eed geëischt worden, waarbij hij verklaarde, dat hij noch in het Westerkwartier, noch in Ilunsingoo of Fivelgoo goederen had gekocht of laten koopen om er handel mee te drijven, evenmin daar zelf of door een ander waren had in-, uit- of doorgevoerd *). Met dit voorschrift was de stadsmagistraat, — de „gemene coepman" is de Groninger koopman, lid van het gilde — niet buiten zijne bevoegdheid gegaan. Ook bleel hij daarbinnen door te bepalen, „dat van den ghemeenen coepman de stapell ende de hoghesten markeden gheleghet is te Groninghen", in zooverre dit sloeg op Groningers burgers of ingezetenen, maar stellig ging hij die te buiten, door nog in hetzelfde artikel te bepalen, dat geen vreemdeling naar de Ommelanden mocht reizen ten einde daar koopmanschap te doen, goed in-, uit- of door te voeren '). Evenzeer overschreden Burgemeesteren en Raad in 1431)

1) Zie boven, blz. 137: „Voirt meer staen wij Haye ende Boele voirs toe den stapel van alreleye kopenscap, de to Groningen gheleglit is ende hebben ghelovet den van Groningen vordelick ende behulplick daer ynne te wesen ende nioht hynderlick."

2) Het Oldermansboek, ed. II. O. Feith (1840), I, 7, blz. 4 : „.. . .Also datghij in fredewold, langhewolt, in hummerke, in hunzeghe landt, in fivelege lande englieen guet gecoft hebben noch hebben ooepen laten, daer ghij avanture an hadden ende gheen goet daer uyt off in glievaert hebben noch wtvoeren laten hebben of rijden laten hebben "

3) 1b. 11, blz. 19. In II, 19, blz. 12 en II, 31, blz. 15 wordt aan ieder verboden ^ laken uit te snijden, d. i. bij oliemaat te verkoopen, tussohen Lauwers en Eems. Groningers mochten daar evenmin heele lakens verkoopen, behoudens tijdelijk in Appingedam.