Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne rechten verre, door vast te stellen, dat niemand tusschen Eems en Lauwers handel zou mogen drijven, tenzij hij was burger of inwoner van Groningen en opgenomen in het gilde '). Deze bepaling en die omtrent den eed, door de stedelijke kooplieden af te leggen, houden het geheele stapelrecht in, dat dus in 1439 reeds kant en klaar voor onze oogen ligt. Van eene sanctie door de betrokken landen vernemen wij verder niets, evenmin van een verzet tegen deze aanmatiging. Eerst doordat een vorst weer iets over de stad te zeggen krijgt, moet ook hieraan een meer algemeen wettigen vorm gegeven worden. Zoo wordt dan in het voorloopig accoord van Groningen met Albrecht melding gemaakt van den stapel. Aan het recht der stad daarop wordt niet getwijfeld, het is iets, dat zij „soo lange tijt, dese contrarie niemant gedencket, in denselven landen gehadt hebben" *), maar het wordt beperkt tot boter, kaas, paarden, ossen, koeien en dergelijke „coopmanschappen" 3). Graaf Edzard, die tegen de stad steunde op de Ommelander hoofdelingen, liet de kwestie van den stapel onbeslist. Het verbond met hem bevat slechts eenige onbepaalde termen; alleen wordt overeengekomen, dat de stad den korenstapel zal moeten deelen metAppingedam. Daarentegen vindt Karei van Gelre geen bezwaar om de stad den stapel, wat de Ommelanden betreft, in den ruimsten omvang toe te kennen. In zijn tractaat met de Ommelanden zelfJ) wordt daarvan evenwel wijselijk gezwegen. Het is duidelijk, dat hij het, evenmin als zijn voorganger, aandurft, van deze de erkenning van den stapel te vragen. Hetzelfde doet zich voor bij Karei Y: Stad en Lande begeven zich gezamenlijk onder hem, doch zij kunnen slechts samengaan, zoo over dit netelige punt gezwegen wordt. In de oorkonde van 1536 blijft de kwestie van den stapel onaangeroerd en daarmee de weg open tot de tallooze chicanes en de eindelooze processen, die in de volgende eeuwen over deze zaak gevoerd zijn.

d. Onder de rechten, die, volgens het verdrag van 1500 sedert onheugelijke tijden aan de stad behoord hebben, behoort ook dit, dat in de Ommelanden geen bier zou mogen worden geschonken of gebrouwen behalve voor eigen gebruik5). Het Geldersche verbond heeft dezelfde bepaling, dat van 1536 laat dit punt onaange-

1) Ib. I, 10, blz. 5: „bi consent onser swoornen Meent."

2) Sieke Benn., blz. 53.

3) Dit geldt niet voor het Oldambt en den Dam, waarschijnlijk ter wille van Kdzard, aan wien het verpand was, en waarvan de hertog den weg vrij wou laten om zich oeeonomiscli aan de stad te onttrekken. Om dezelfde reden waren ook uitzonderingen gemaakt voor den Dam en de Ommelander hoofdelingen, wier beteekenis uit de gebrekkige tekst niet duidelijk is.

4) Rengers I, blz. 227 vlgg.

5) De plaats bij Sieke Benninge is zeer onduidelijk en blijkbaar onjuist geïnterpungeerd.

Sluiten