is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meerderden zij snel. In 1363 waren er 31, in 1364 59, in 1365 83, in 1366 87 en in 1368 was het aantal tot 105 gestegen, waarop het voor het vervolg met kleine schommelingen blijft staan. Hier werd dus door den burgerman de groente voor zijn eigen behoeften zelf geteeld. Of het alleen kool was? Deze plant schijnt wel het meest gegeten te zijn, blijkens den naam der tuinen '). Ze waren zeker niet groot, tenminste niet duur; 105 van die perken gaven 48 "8 7 jS 2 dus nog niet '/» Per stuk *)• Evenzoo schijnen zich bij Gouda vele tuinen bevonden te hebben, hier echter op het terrein van den lieer, nl. op de plaats, waar het in 1377 gerooide Goudsche bosch gestaan had '). Dat wij hier niet met eene eigenaardigheid van een enkele stad te doen hebben, bewijzen de goed bewaarde en uitstekend gedrukte rekeningen van Hamburg. Het aantal tuinen, aan burgers verpacht, moet minstens 125 bedragen hebben. Aan warmoezeniers valt hier niet te denken: onder de namen der huurders komen o. a. die van twee vrouwen voor, welke worden aangeduid als eene apothekersweduwe en de echtgenoote van een kruidenier ').

1) Vreemd lijkt evenwel op het eerste gezicht die grootere behoefte aan kool. Nu schijnt echter vroeger de heer van Voorst vele kooltuinen gehad te hebben. Onder de „bona domini de Voerst" komen voor „des heren coelghaerden van Voorsten'', die op „der stad Esch ligglien achter den Smeden''. De inkomsten (Cameraarsrek., III', blz. 149) hiervan werden dit jaar (1362) door de stad geïnd (5 TÊ 6 f3 3 3), die ze aan zich schijnt gehouden te hebben, en ze legt er nieuwe bij aan. Nog in hetzelfde jaar begaven zich bijv. schepenen en raden buiten de stad en „besaghen buten der Noerdenberghe poerte, ho wijt die weoli solde bliven tusschen don grave ende den coelhoven" (lb. blz. 175). Deze werden nog in dat jaar verpacht (Ib. blz. 182 vlg., verder blz. 191). In 1363 werd er eene omheining om gemaakt (Ib. blz. 237). In dit jaar blijken inderdaad van de 31 koolhoven 23 bij de Noordenberger poort te liggen. Bovendien waren er koolgaarden voor de Bergpoort: Ib. blz. 191 (over andere zie blz. 229).

2) Ib., III1, blz. 350 vlgg., 355 vlg.

3) De Lange van Wijng., II, blz. 67 en Bijl. A, blz. 71 vlgg. Hier waren evenwel ook vele hoptuinen. Van de moestuinen bij de Ilollandsclie steden blijkt overigens niet voel. Zij hadden er zelf dan ook geen terrein voor.

4) Het aantal is niet met zekerheid op te geven, omdat de rekeningen ten opzichte van de tuinen maar gedeeltelijk gespecificeerd zijn; eene groep bestaat uit 17, sedert 1468 uit 18, en in 1477 en 1478, nadat de lapjes grond nog kleiner gemaakt zijn, respectievelijk uit 22 en 28 perceelen. Van 1481 af worden er 29 tuintjes over opgegeven. De jaarlijksche opbrengst beweegt zich van 1461 tot 1500 tusschen 17 Hl' 10 (3 7 3 (1481) en 20 'tf 16 (3 6 i (1466) De tweede groep is te ontleden tot aan het jaar 1468, omvat 31—37 tuintjes en geeft jaarlijks van 18 13 |3 6 3 (1467, 1468) tot 22 'tï 18 (3 6 3. Van 1470 tot 1500 blijft de opbrengst constant, nl. 18 'tf 15 (3. Dan zijn er nog nieuwe tuinen, die van 1461 tot en met 1464 jaarlijks van 91 'ti'—93 'tf 13 (3 opleveren, in de overige jaren van 43 t£ 13 (3 6 3 tot 48 'tü 12 (3 ongespeeifeerd. Dit laatste is het gewone bedrag, dus altijd meer dan van de eerste twee groepen. Deze waren sedert 1481 samengesteld uit 60 perceelen of meer, de laatste afdeeling zal dus ook wel uit meer dan 60 bestaan hebben, en een geheel aantal van 125 niet te hoog genomen zijn (naar de KSmmereirechn., T. II en 111). In de rekeningen uit do 14'1" eeuw wordt van tuinen niet gesproken. Bij Lübeck heb ik ze maar in kleinen getale aangetroffen.