Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden uitgegeven door 1G <ffi, waaronder drie voor maar 1 'ffi jaarlijks, maar daarnaast zijn er vier, die samen een huur van 110 48 kunnen halen, alles tezamen dus 126 "ffi. In 1522 en 1523 blijken er wel sommige waarden „verlopen" te zijn, en toch is de opbrengst gerezen tot resp. 242 <8 en 227 «. Deze wijziging moet komen van waardevermeerdering van den bodem, hetzij door omvang of qualiteit, niet door depreciatie van het geld of dergelijke oorzaken, want de andere landerijen leverden in 1522 en '23 belangrijk minder pacht dan vroeger; de Cruishoop, een stuk weiland van 121 morgen in die jaren bijv. maar rond 350 1, tegen rond 573 <8 in 1472 ').

Houtslag en woud.

De wilgenboomen waren voor de meeste Nederlandsche steden wel het eenige hout, dat zij tot hare beschikking hadden; bosschen telden ze zelden onder hare eigendommen. Reeds vroeg waren die in Holland uitgeroeid. De Haarlemmerhout, welke zich eens tot Noordwijk uitgestrekt had, zal nog wel materiaal tot timmeren en branden opgeleverd hebben, doch hij was grafelijk domein en geen stad, ook niet Haarlem, profiteerde er onmiddellijk van. Alleen Geertruidenberg had een stadsbosch, dat zich, gedurende de 13^ eeuw, tot Oosterhout uitstrekte2). Ook buiten Holland trof men zelden stadsbosschen aan. Een voorbeeld als Harderwijk, dat sedert 1332 het Hulsterbosch zijn eigen kon noemen, was eene uitzondering 2). Zorgvuldig waakte de stad er hier dan ook voor, dat de houtvoorraad niet inkromp. Dat het hakken van boomen niet aan ieders willekeur was overgelaten, laat zich begrijpen. De schepenen moesten hiertoe vergunning verleenen4). Maar men ging verder; zelfs om te mogen sprokkelen moest men van dezen uitdrukkelijk permissie hebben. Ook in een boschrijke streek als de ^ eluwe schijnt het beste hout voor den huizenbouw al vroegtijdig vrij schaarscli geworden te zijn, tenminste wanneer men dit mag afleiden uit het feit, dat in een keur, in 1300 te Elburg gemaakt, het voorschrift, om huizen alleen van eikenhout te bouwen, doorgehaald is5).

Sommige steden, die geen woud bezaten, hadden tenminste zekere

1) Naar de Paohtlappe van 1472, de rekeningen van 1522 en 1523 en een register van het einde van 1473 (?), alle in het Kamper Archief.

2) Stadsrecht van 1213 en 1275: Neinus inter Osterhout et Sthenlo ad jusattinet opidanorum (Van den Bergh, I, 235; 11, 281). In het eerste privilege staat nog abusievelijk : „universorum proventus forestorum due partes ad comitem et tertia pars ad usum opidi et tertia pars ad nsuin opidi debet attinere". In het tweede staat „universorum proventus f o r e fa o t o r u m". Dit is natuurlijk het juiste: het is de gewone bepaling, dat 2'3 der boeten aan den graaf, '';1 aan de stad valt.

3) Zie boven, blz. 60.

4) Rechtsbr. der stad Harderwijk, blz. 3 vlg. (1470).

5) § 45: Van Meurs, Elburg, blz. 55.

Sluiten