Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebruiksrechten op de nabijliggende bosschen. De burgers van Nijmegen bezaten liet z. g. „vrij houwen" in het Nieder-Reichswald. Zij mochten namelijk het dorre en groene hout, hetwelk zij op den wagen staande bereiken of naar zich toe buigen konden, hebben, zoo zij het met den derden slag konden afhakken '). Dit kan hun, zoo al geen timmermateriaal, dan toch brandstof geleverd hebben. Een dergelijk voorrecht beweerden de^e Amersfoortsche stedelingen te hebben, omtrent het geboomte op den Amersfoortschen berg. De bisschop protesteerde daar wel herhaaldelijk tegen, „maar de stad hield haar recht staande om „holt ende rijs opten berch te houwen hoer vesten ende wegen mede te maken," dus voor algemeen stedelijke doeleinden ®).

. Gouda profiteerde van het Goudsche Bosch, doordat het daar een houtvoorraad had, waarvan het wel niet gratis gebruik maken kon, maar die toch tegen een billijken prijs te verkrijgen was. Het behoorde aan den heer der stad. Deze was er nochtans volstrekt niet angstig bezorgd voor, dat dit terrein voor zijn jachtvermaak te zeer inkrimpen zou. Toen een hevige brand in 1361 een groot deel der stad verwoestte, werd van het bosch, zooveel er noodig was, geveld en het hout den burgers geleverd „eiken na sinen state, als hem die scepene aldaer toe schierden" 3) (toebedeelden). Men had hier echter niet te doen met een oerwoud; weldra was het geheele bosch gerooid en moest men rondzien naar een middel om te voorzien in de behoefte aan brandstof, die eene stad als deze, met hare talrijke brouwerijen, dringend noodig had. Men moest wel overgaan tot het meer nationale verwarmingsmiddel, tot de turf. In 1386 werd een verdrag aangegaan met Willem van Egmond, waarbij 44 burgers 31 perceelen veen in de heerlijkheid Zevenhuizen, samen ongeveer 100 morgen groot, in gebruik kregen onder bijzonder gunstige voorwaarden. Zij mochten het „tot eeuwigen dagen" bedelven „ende bruyken" en behoefden alleen morgengeld voor dijken, wegen enz. te geven en „banwerk" daaraan te verrichten. Vervreemdden zij het en kreeg een niet-poorter het in bezit, dan toch zou het dadelijk weer bevoorrecht poortersland worden, als het in handen van Goudsche burgers terugkeerde *). Het gold hier meer dan een privaatbelang; de stad, met de verschillende particulieren, sloot de overeenkomst met den heer van Egmond. Morgengeld en banwerk zouden worden afgekondigd in de Goudsche kerk. Het veen in Zevenhuizen, aldus gereserveerd voor de stad, schijnt nog niet in de behoeften te hebben

1) Staats Evers, Gelderlands voormalige steden, blz. 365, noot 3.

2) Matthaeus, Her. Atnersf. S. S. p. '223 (1394), p. 233 (1409).

3) De Lange van Wijng., II, blz. 72, 435.

4) Van Mieris, lil, blz. 450 vlg. Blijkens de bevestiging van het privilege door "Willem VI in 1405, waren de burgers in zooverre bevoorrecht boven de buren van Zevenhuizen, dat zij vrijgesteld waren van „lastgelde ofte andere ongelilen": lb., IV, blz. 17; vgl. ook 111, blz. 548.

U

Sluiten