Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1491—1493 nog de kolossale som van ongeveer 11,000 Hongaarsche guldens voor over om de familiegoederen van een adellijk huis in hare nabijheid te koopen en zoo ook het brandhout van genoemde heide aan zich te brengen. En dat waren nog maar kleine stadjes, die gewoonlijk niet ruim bij kas waren. Blijkbaar beschouwde men een bosch soms als een noodzakelijk deel van den inventaris der stadseigendommen. Freiburg bijv., aan alle kanten door dorpen ingesloten, was buiten machte om zich bosschen in zijne nabijheid te verwerven; toch kon het niet berusten in het gemis van zulk een houtvoorraad, die zich zelf aanvulde. Het kocht nu eenvoudig de bosschen aan gene zijden van de dorpsmarken gelegen '). Wat de stad Neurenberg durfde besteden voor de haar omringende rijkswouden, is reeds gezegd 2). Elbing, dat reeds meer ter sprake gekomen is, omdat wij omtrent de huishouding dier stad vrij wat gegevens bezitten, was reeds van den beginne af met een groot oppervlakte bosch toegerust, zoodat van de opbrengst van hout nog wel wat overschoot voor den verkoop. De sommen, die hiervoor ontvangen worden, zijn niet belangrijk naar hunne absolute hoogte gerekend, maar wel, wanneer men ze vergelijkt naast de totaalontvangsten der stad, of nog meer, als men ze plaatst naast de pacht uit de talrijke stadshoeven ontvangen3). Meer overeenkomst met onze zeesteden, wat ligging en omstandigheden betreft, biedt Lftbeck. Doch ook dit was verre daarboven bevoorrecht. Keeds sedert 1188 bezat het buiten haar eigen gebied nog een verstrekkend privilege betreffende de omringende bosschen. De stad mocht daaruit hout nemen voor hare huizen en, wat van niet minder belang was, voor hare schepen *). Dit stond dus gelijk met het bezit van een markebosch. Dat het hout slechts ten gebruike der burgers mocht strekken en niet buiten de stad verkocht mocht worden, was eigenlijk geene beperking. Ook in eene mark als deze gold de regel, dat de opbrengst daarvan in natura voor de behoeften der markgenooten moest dienen en niet aan personen daarbuiten staande mocht worden overgedaan. De houtvoorraad schijnt evenwel niet bestand te zijn geweest tegen het gebruik, dat ervan gemaakt werd. Van het midden der 14(l(1 eeuw af werd gedurig hout gekocht. Men zou denken, dat dit alleen geschiedde voor publieke doeleinden, maar dit is niet het geval. Integendeel, de stad verkocht het weer aan hare burgers, zoowel brand- als timmerhout3). Eigenaardig spiegelt zich

1) Gothein Sohwarzwald, S. 111 f.

2) Zie boven blz. 84.

3) Toeppen, Elbing, i. a. 1404—1414. Gemiddeld ongeveer 2/s der talrijke stedelijke hoeven.

4) Lüb, TJrkb. I, S. 9 ff.

5) Lüb. Urkb., III, 8. 643; V, S. 38 ff.; V, S, 236 ff.; V, S. 465; V, S. 568; VI, S. 354 f.; VI, S. 499; VII, S. 424 f.; VII, S. 410 f.; VII, S. 14 f.; VIII, S. 70 f.; VIII, S. 78 f.; VIII, S. 335 ff.; VIII, S. 510 ff.; VIII, S. 632 ff.

Sluiten