is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierin af de wijziging, die de omstandigheden brachten in de verhouding tusschen de stad en hare burgers.

In de oudste tijden ziet men slechts de mark ; ieder mag houwen in de bosschen, alnaar hij noodig heeft, zij het dan ook naar regelen door het bestuursorgaan der gemeente daaromtrent vast te stellen, maar beidejn belangen, dat van de gemeenschap en dat van de leden, vallen nog geheel samen. Een paar eeuwen, en de stad staat tegenover hare burgers als een houthandelaar tegenover zijne afnemers.

De t i c li e 1 w e r k e n.

In de latere middeleeuwen kon het hout voor een deel ontbeerd worden, doordat men de huizen van steen begon op te trekken. Waar de natuurlijke bouwsteen ontbrak, zooals in onze en in de Nederduitsche steden, moesten de tichelwerken in dat gemis voorzien. Daarnaast moesten deze de pannen leveren, indien eene leisteengroeve niet de noodige dakbedekking verschaffen kon. Lang heeft het geduurd, voordat het houten huis en het rieten dak, vooral het laatste, uit de steden verdwenen was; eerst talrijke lessen in den vorm van hevige branden moesten den inwoners doen inzien, hoe gevaarlijk het was dicht bijeen te wonen in zulke licht ontvlambare woningen en zonder eenig afdoend verweermiddel tegen het vuur. Omvangrijke keuren tegen brand waren in verscheidene steden gemaakt, maar deze maakten de armzalige bluschmiddelen, hoofdzakelijk brandemmers, nog niet tot een krachtig wapen, wanneer „die stede beriide" en een moderne brandweer waarschijnlijk de handen vol gehad zou hebben aan de beteugeling van de vlammen. Het eenige, wat men vermocht, was de bouwverordeningen zoo te maken, dat het gevaar voor brand daardoor beperkt werd. Vandaar het bevel, om „week dak" met leem te bestrijken, in Harderwijk zelfs met een laag van een handbreed dikte in Zutphen aan weerszijden2). In deze stad moesten ook de wanden zoo niet van steen, dan toch van leem vervaardigd wezen 3). In Delft en Rotterdam was men verplicht ze van binnen geheel te leemen of te „cleyen" 4); in Amersfoort naar het schijnt, muren en dak binnen of buiten 5).

t) Rechtsbronnen der stad Harderwijk, blz. 26 (1470); Tiel: mit gueden leyme: Reehtsbr. v. Tiel (O. Vad. Reehtsbr., II3), blz. 40 vlg. Eene dergelijke bepaling te Brielle: Middeleeuwsche keuren der stad Brielle (O. Vad. Reehtsbr., II2), blz. 86 (1445); te Enkhuizen: Oude Keuren v. Enkh., N. Bijdr. v. Wetg. en Reehtsg., II', blz. 14 en te Groningen: Stadb., ed. Telting, blz. 64.

2) Reehtsbr. v. Zutphen, blz. 25 (1357).

3) Ib., blz. 31 (1365).

4) Delft: Oudste Keurboek, N. Bijdr. voor Wetg. en Rechtsgel., II2, blz. 420 en Keuren en Ordonnantiën, ed. Soutendam, blz. 101 (begin 16de eeuw); Rotterdam : Oudste Keurboek, N. Bijdr., II2, blz. 86.

5) Reehtsbr. der kl. steden v. h. Nedersticht, 1, blz. 170 (1491).