is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eiken oven steen, dieft hij brandde, maar verder niets. Alle bewerkingen met de klei geschiedden van stadswege: land effenen, turf koopen en vervoeren, zand delven en aanbrengen, steenen sorteeren etc. en de tichelaar zelf had geen recht op de steen '). Deze hield de stad voor zich en ze wordt door haar verkocht, blijkbaar niet altijd aan nauwgezette betalers2). Ook Utrecht betaalde in 1340 den tichelmeesters hun werk, maar liet hun niet de steen 3); in lateren tijd echter schijnt zij hun in de plaats daarvan eene vaste soms gelds voor eiken oven, die gebrand werd, toegekend te hebben 4).

In Kampen behield de stad zich de helft van de vervaardigde steenen en pannen voor en verplichtte den tichelaar de overblijvende helft tegen een vast tarief te verkoopen en volgens sommige contracten alleen aan Kamper burgers. Bovendien werd er door de pachttermijnen kort te stellen, n.1. op één, twee of drie jaar, voor gewaakt, dat de tichelaar te veel rechten op de steenbakkerijen krijgen en misschien een exploitatie uitsluitend ten voordeele van de stad bemoeilijken zou5). In Deventer was de huurtijd langer ; volgens eene oorkonde van 1403 tenminste zes jaar en in 1408 wilden de schepenen zelfs een pachtcontract van acht jaar. Van de steenen bedong de stad maar 4000 jaarlijks voor zichzelfB). Doch verder ook hier de andere bovengemelde voorzorgen. Een vaste prijs voor de 1000 steenen of pannen werd bepaald en de verkoop aan niet-bewoners uitdrukkelijk verboden. Tevens moesten de stedelijke weidegraven gekend worden in verschillende onderdeelen van het bedrijf, in het leveren van de steenen, in het drogen etc. Hoe het in Zutphen ging, is mij niet bekend; wel, dat ook daar niemand eenige steenen buiten de stad mocht laten vervoeren of naar buiten verkoopen zonder toestemming van de schepenen7).

1) Cod. Dipl. Neerl., 1853, I, blz. 50—54, 60, 66, 71. De tichelaar zelf moest baksteen van de stad koopen blijkens blz. 75.

2) Onder „die soult, die men der stede sculdieh is,''18 posten samen van 113.050 „teglen": blz. 73—75.

3) Rechtsbr. v. Utr., I, blz. 22, Liber Albus art., 42: de stadstichelmeesters krijgen van elke duizend steenen of pannen 2 penningen. Dit is blijkbaar werkloon ; als prijs is het te laag, blijkens de boven vermelde vergoeding, die de stad den buizenbouwers betaalde. Bovendien kan de prijs voor steenen en pannen moeilijk gelijk zijn.

4) Volgens de mededeeling van Burman (II, blz. 15 vlgg.), van den eenen oven in 1442. telkenmale als hij gestookt was, 100 „oromateerten" en van den anderen telkens 50 „cromsteerten". De eerste werd dat jaar zesmaal, de laatste zevenmaal gebruikt. Totale opbrengst 050 kr. 190 gld.

5) Overijsselsche, Bijdr., II, 1.1. In een contraot van ongeveer 1334 krijgt de tichelaar evenwel het recht de steenen te verkoopen „daer hi will" : 1.1. blz. 208 vlg.

6) Inleid. Cameraars-rek., blz. 60 vlgg.

7) Rechtsbr. v. Zutfen, blz. 114 (1408). Nog herhaald in 1548 met de beperking : „soe lange men enige steen hierbinnen bederfft en sall men geen stien laiten uithfueren" : Rechtsbr. v. Z., blz. 132. lil Tiel, waar de stad geene tichelwerken