is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verdienen aan de tichel werken deden de meeste steden niet veel. Deventer schonk den tichelmeester groote weidevoorrechten, tien koeien met hare kalveren, zes paarden met hunne veulens mocht hij laten grazen op de stadsweide. Daarbij ontving hij zijne bovenkleeding van de overheid en ook wel een voorschot 0111 het bedrijf te kunnen beginnen. Kampen ontving de helft van de steenen, maar leverde daarvoor dan ook een paar kleeren, twee of drie paarden, de stortkarren en de wielen, de benoodigde turf, liet op stadskosten den dijk om de weerd maken en gaf den steenbakker het gebruik van een stuk hooiland. De voordeelen, voor zoover die in steenen en pannen bestonden, gebruikte de stad voor haar eigen bouwondernemingen en zij reikten daarvoor in den regel niet toe; gewoonlijk moest er nog vrij wat bijgekocht worden. Aangezien die pannen en steenen in de stadsrekeningen niet verantwoord worden, is het te begrijpen, dat die rekeningen weinig kunnen vermelden van geldelijke baten, die het bedrijf aan de publieke kas leverde. Behoudens eene enkele uitzondering, waarvan reeds melding gemaakt werd, moest er geld bij. In Deventer worden alleen uitgaven opgegeven. Dit stemt overeen met de voorstelling, die wij uit de rekeningen van de Duitsche steden ontvangen. In Hamburg heeft men in de 14de eeuw slechts kosten, zonder dat er financiëele voordeden tegenover staan. In de 2de helft der 15de eeuw blijft er nu en dan een batig saldo over, dat van 1451—1500 jaarlijks gemiddeld eene hoogte bereikt van 19 % 12 (9 11 d, dus niet veel '). Hildesheiin rekent in 1381 4 IE van de tichelwerken en ook over de jaren 1443—1450 is er een overschot, maar dat blijft voor die acht jaar nog beneden de 3 1B jaarlijks 2). In Hannover was een deficit regel; werd er eens een jaar wat minder gebouwd dan gewoonlijk, dan hield men wel eens wat over, bijv. in 1387 17 "S 3). In Elbing waren twee steenbakkerijen door de stad in erfpacht gegeven tegen eene jaarlijksche opbrengst van 38.000 steenen en 4000 pannen. Indien deze niet opgebruikt werden, dan werd het restant verkocht. Zoo in 1405 en 1408; in het eerste van deze beide jaren streek de kameraar er de kapitale som van 12 Mark voor op 4).

Deze luttele bedragen bewijzen voldoende, dat het hier geen

bezat, stelde zij het ambt van tichelmeester toch onder hare bescherming en bepaalde, dat deze zijne vorderingen voor geleverde steenen en pannen binnen Tiel met den stadsbode, in Zandwijk met den dorpsbode zou mogen inpanden : Rechtsbr. v. Tiel, blz. 51 (1472).

1) Naar de Kaïnmereireohnungen i. a. Ik kan hier geene verwijzing plaatsen, omdat deze zich over alle rekeningen zou moeten uitstrekken, waarvan ik de uitgaven en inkomsten der tichelwerken heb samengesteld en waaruit ik door herleiding het hier opgegeven, gemiddeld bedrag gevonden heb.

2) Döbner, Rechnungen i. a. Hiervoor geldt ook wat in de vorige noot omtrent Hamburg opgemerkt is.

3) Ulrioh, Hannover, S. 57 f.

4) Toeppen, Elbing, S. 58.