is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedrijf gold, waarvan men de winsten zoo hoog mogelijk trachtte op te voeren. liet gezichtspunt, waaruit de magistraat deze ondernemingen beschouwde, werd alleen bepaald door de begeerte om het stedelijk organisme zoover te volmaken, dat het zonder hulp van buiten zelf de middelen leverde, waardoor het in stand moest blijven.

Het water.

Eene zeer bijzondere plaats neemt het water in. In de stadsgrachten diende het tot bescherming tegen een vijandelijken aanval ; in de rivieren als handelsweg, daar waar het stroomde, als beweegkracht voor den molen; overal als een kweekplaats voor een toen zeer belangrijk volksvoedsel, de visch. In deze studie komt het water maar in aanmerking, in zooverre het gebruikt wordt voor de beide laatstgenoemde doeleinden.

Het visch water.

Zooals reeds gezegd is, was het water een deel van de mark, doch daarnaast werd ook te kennen gegeven, dat het al vroeg als terrein voor de vischvangst. aan het gemeene gebruik onttrokken werd en in handen gesteld van personen, die dezen tak van bedrijf tot hun beroep gemaakt hadden. Er is mij dan ook maar ééne stad bekend, waar het water nog in de latere middeleeuwen zijn karakter van markegoed niet verloren heeft, en wel Genemuiden. Het vischwater werd hier verloot. Degenen, die zich daarvoor aanmeldde, moest zijn „manlick olt ende starek, dat he moghe heerreysen doen, waken ende stad dyenst doen" '); dus niemand mocht in dezen van de stadsvoordeelen genieten, <lie ook niet daartegenover de diensten bewijzen kon, welke men van een burger eischen mocht. Voor het gebruik van het „water" werd eene recognitie betaald, waarvan het bedrag niet vermeld wordt; zij „die gheen loetwater (:= door het lot toegewezen water) en nemen hadden toch nog een plaatsje, waar zij mochten visschen 2). Vergelijkt men het stadswater met de stadsweide, het verschuldigde voor het „loetwater met het brandgeld voor het vee, dan blijkt, dat men hier ten opzichte van het gemeenschappelijke vissclierijgebied vrijgeviger was dan elders omtrent de weideplaatsen, want hiervan werd gewoonlijk het vee, dat niet opgebrand was, geheel geweerd. De toewijzing der vischrechten geschiedde voor een jaar. Evenals ten opzichte van de stadsweide gold ook hier het beginsel, dat het markeaandeel slechts mocht gebruikt worden voor de onmiddellijke be-

1) Kacer, Gedenkstukken, VI, blz. 8*2 (omstreeks *1450;.

k2) „Die en sullent nergent vischen up unser stat water hier achter, ot waer dat gheleghen ia, dan hyr achter den hoep": Racer, (iedenkst., VI, blz. <5 (waarschijnlijk 1407).