Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoeften van den gerechtigde en in den vorm, waarin het aangeboden werd, dus niet door een ander mocht worden overgenomen om den gewaarde alleen een geldelijk voordeeltje te bezorgen. Niemand, behalve de stadsdienaren, mocht zijn water verhuren; slechts onderlinge ruil was geoorloofd '). Indien iemand stierf, dan mocht evenwel zijn water door de erfgenamen voor het overblijvende deel des jaars verpacht worden *); verliet hij de stad metterwoon, dan keerde het tot de gemeenschap terug en werd door de schepenen tot aan de eerstvolgende verloting openlijk verhuurd 3).

Genemuiden had nu evenwel ook eene visscherij, die zich liet verdoelen over vele hoofden, zonder in al te kleine stukjes versnipperd te worden. Het lag aan het Zwarte Water, waarin het van ouds visscherijrechten bezat4). Bovendien had het alle water „van Watersteyne nederwaert tot aen die Voerst ende dwers over alle den water van den enen lande tot den anderen" 5), dus zoowat het heele stuk van het Zwarte Water, dat van het Oosten naar het Westen loopt tot in de zee toe.

Groote visscherijen bezaten ook Kampen en Deventer. De eerste stad had bij de verdeeling van het Mastebroek een gebied ontvangen, waarin de grens tusschen water en land niet nauwkeurig te trekken was. Het was dan ook in dier voege afgebakend, dat hare rechten zouden reiken tot „3'/2 elle toe op een dachlix water" d. w. z. zoover als de diepte bij gewonen waterstand 3'/* el bedroeg. Ze stond niet toe, dat iemand daarbinnen vischte, behoudens een enkele, die daartoe van ouds gerechtigd was 6). Ook de burgers mochten niet zelf visschen in deze wateren, zooals te Genemuiden. Toch profiteerden deze er nog rijkelijk van, doordat zij elk voor zich steeds een welvoorziene visclimarkt vonden 7) en allen tezamen rijke opbrengsten trokken uit de verpachting van de visscherij; in 1472 1140 "ffi, meer dan een vierde van wat alle landerijen met elkaar opleverden, in 1522 en 1523, in de oorlogsjaren, toen het gebruik van het land met veel meer bezwaren gepaard ging dan dat van

1) Zoo versta ik : „Item so en sal nemant syn water verhuren, he en sal gheven water om water, nyet to gheven ; als denghenen, de dat verhuert als by 10 'tf ende nochtans salt onverhuert. Uutghesproken der stad dyenres inoghen hor water verhuren to den hoghesten penninge" (de interpunctie maakt deze zinsnede bij Racer onverstaanbaar): 1b., blz. 82.

2) lb.

3) Ib., blz. 82 vlg. Bljjkens het stadboek (lb., blz. 98 vlg.), waar de hier genoemde artikels terugkeeren, werd de opbrengst eener dergelijke verpachting ten behoeve van de kerk aangewend.

4) lb., blz. 194 vlgg., 196 vlgg., 198 vlgg. en Tegenw. Staat van Overijssel, IV, blz. 160 vlgg.

5) lb., blz. 117 vlgg. en blz. 198 vlgg.

6) Digestum Vetus, blz. 33 vlg.

7) Het is bijna overbodig te zeggen, dat visoh, in de stedelijke wateren gevangen, alleen in de stad ter markt gebraoht mocht worden.

Sluiten