Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het water, resp. ruim 1243 en 1304'/2 d. i. ruim */5 van het bedrag, hetwelk het droog liggende deel van de stadseigendommen opbracht. Deventer had niet het voordeel van een dergelijke vage en desnoods rekbare afpaling voor zijne bezittingen en de cameraarsrekeningen hebben maar een weinig uitgebreide post voor de verpachting van stadswater. In den regel werd het in tweeën verhuurd, al naar het met de groote of met de kleine zegen bevischt werd. De opbrengst beweegt zich van 1337 tot 1381 tusschen 100 18 (1339, 1353) en 410 16 (1369) en is voor de 33 jaren in die tijdruimte, waarvan ons opgaven ten dienste staan, gemiddeld 139 'tt'. Van 1360 tot bijna 1363 bereikt zij, hoewel sprongsgewijs, zoowel in absoluten als in relatieven zin de grootste hoogte en is dan ongeveer 5°/0 der totaalinkomsten; daarna daalt zij (behoudens eene alleenstaande groote rijzing in 1369) ook weer in een gebroken lijn, maar nu veel sterker in betrekkelijken dan in volstrekten zin, doordat het geheele budget zich in de volgende jaren ongeveer verdubbelt. In 1381 is zij gezakt tot beneden 1 °/0. Toch was zulk een visscherij evenals de landerijen steeds een te waardeeren bezit; zij was een kleine financiëele hulpbron, die onder alle omstandigheden door vrij regelmatig bleef vloeien. Vergelijken wij Deventer met andere riviersteden, dan was het in dezen nog niet eens slecht af. Hamburg had geene inkomsten van vischwater, Liibeck wel, maar slechts zooveel, dat het daarvan in 1421 55 Mark en in de volgende jaren 75 M. inde '). De verhouding tot het totaal kan ik voor deze stad niet opgeven, maar ik meen toch wel te kunnen zeggen, dat een dergelijke post in eene rekening van Duisburg (1438) ter hoogte van 24 gld. 10 (t, d. i. ruim 1 °/0 van alle ontvangsten, daarnaast geen kwaad figuur maakte 2). Dit stond daarmee zoo wat op één lijn met Groningen, waar wij eerst in de rekening van 1548 eene volledige opgave hebben van de verpachting der stedelijke vischwateren. Alles tezamen gaven zij 69 R. Gld. (totaal der inkomsten 7.839 R. Gld.)3).

Men zou onwillekeurig geneigd zijn, een dergelijke opbrengst te houden voor zoo ongeveer het minimum, dat bij een normalen rijkdom aan visch door de stad uit hare wateren getrokken kon worden, omdat Groningen niet meer dan hare stadsgrachten te verhuren had. Doch dit was volstrekt niet overal het geval, vooral niet in Holland, waar reeds in 1276 Floris V de uitspraak had gedaan, dat het vischrecht „in omnibus aqueductibus, qui vulgariter watheringe

1) Lüb. Urkb., VII, S. 410.

2) Pioks Monatschrift, VI, (1880), S. 55 ff.

3) Rek. v. Groningen, blz. 334. Ze werden verhuurd in drie deelen nl. het stroomende water en het stilstaande water afzonderlijk en daarna het laatste weer in twee perceelen. Partieele verpachtingen in 26—27, blz. 19 en 35—36: blz. 118, 120.

Sluiten