Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

appellantur", hem toebehoorde '), een stelling, die wel niet doorgedreven kon worden in de later verworven deelen van het grafelijk gebied, zooals in Waterland 2), maar die ongetwijfeld voor de steden een beletsel is geweest om de hand te leggen op de visscherij niet alleen buiten, maar ook binnen hare vrijheid. Vooral, wanneer deze bij sluizen lag, is zij lang in bezit van den graaf -'ebleven, in den eersten tijd waarschijnlijk tot groot voordeel van het land, dat daardoor afwaterde. Tocli waren soms op den duur de waterstaatsbelangen niet veilig voor de pachters dier sluizen. Hoorn neemt in 1424 de sluizen en waterloopen tusschen Hoorn en Schellinkhout van den graaf in erfpacht „overmids schade ende binders wille, dat (het) gemeyn land bi onredeliken visschen daerof gebat heeft", onder verplichting den vroegeren bezitter eene schadeloosstelling te betalen voor het verlies zijner rechten3). Dezelfde beweegreden zal Medemblik wel gedreven hebben om de sluizen van het Medemblikkerambacht reeds veel vroeger in pacht te nemen voor een toenmaals vrij groot bedrag ') en Haarlem om pachteres te worden van visscherij, sluis en water te Spaarndam Alkmaar, Amsterdam en Rotterdam moesten echter in de 14ie eeuw nog toezien, hoe de visscherij van de sluizen binnen hunne vrijheden gelegen door den graaf aan particuliere pachters werd uitgegeven ).

1) Van den Bergli, II, 307 : „Cum per totam terrara nostram in omnibus aqueduotibus, qui vulgariter watlieringe appellantur, omne jus pisoarie specialiter nos

"'^'"u'hrecht had daar aan zich getrokken „allenvoghelrye, visscherye, «luysen ende windt". In 1393 erkende hij evenwel, dat noch de graven van Holland noch de heeren van Waterland die oorspronkelijk bezeten hadden en gaf ze daarom terug aan de stad Monnikendam eu het dorp Zuiderwoude om ze ten eigen voordeele te gebruiken: Handv. ende Priv. v. Monmckendam ende Waterlandt (1613), blz. 14.

3) Van Mieris, IV, blz. 732.

4) Hamaker, Rek. der Graf. van Holland. II, blz. 267 („van viskerien^): „Die „oirte van Medemleke van den slusen in Hogoutwouder ambocht 130 tt. In het volg 'nde jaar dezelfde post, alleen met het verschil, dat „Hogoutwouder ambacht

Medemleker" ambacht genoemd wordt: Ib, blz. 358. Voor het overige waren de

binnenwateren van het ambacht niet aan de stad verpacht

5) De stad had deze voor 400 « jaarl. in pacht. Het contract zou inl401 afloouen maar in 1400 gaf Albrecht ze tot 1410 aan de stad, mits zij hem daarop 4444 Fransche schilden leende, welke som in 1410 of later afgelost zou mogen

worden: Van Mieris. III, blz. 723. ,

6) „ l'iscaria de sclusa" te Alkmaar is grafelijk leen in 1272: Van den Bergh II 2°6 Verpacht 1343: Hamaker, Kek. van Holland, II, blz. 268. Verbonden voor "de renten, die sommige steden in 1345 voor Willem IV verkoopen .Van Mieris II blz. 692. Den „kolo van der sluse mit horen stempels wiset (sic) doergaendè v'an den Amstel in den Ye, die gheleghen is in middeldam b i n n e n onser stede van Amsterdam" behoort in 1387 aan den Ruwaard: Van Mieris, 111, blz 456 De visscherij van de „Spoye (uitwateringssluis) ende alle den slusen gheleghen binnen de vriheit van Rotterdamme", verhuurd door Albrecht in 1385 en 1388 : Van Mieris, 111, blz. 42Ü, 503 (vgl. ook Hamaker, Rek. van Holland, I, blz. 18, 45, 115; II, blz. 28).

Sluiten