is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beide laatste plaatsen hebben dien toestand niet laten bestaan, zij hebben zelf de hand erop gelegd, Rotterdam misschien, Amsterdam zeker uit vrees voor „onredelijk visschen" '). Hieruit is reeds voldoende duidelijk geworden, dat de Hollandsche steden volstrekt niet eigenaresse waren van het water binnen haar rechtsgebied. Ten overvloede haal ik nog aan de handvest in 1355 door Willem V aan Naarden verleend, waarbij deze stad de visscherij binnen „luiere vrijheyt in haeren grachten" bepaaldelijk gegeven werd 2) en die van Delft in 1394, volgens welke dit de visscherij in de Vaart van de Noordgrens der vrijheid dwars door de stad en verder tot aan de Maas in pacht bekwam 3).

Eene visscherij van eenigen omvang heeft mijns wetens in Holland alleen Leiden bezeten. Oorspronkelijk had het slechts die in de singels rondom de stad; die in den Rijn was van den burggraaf 4), maar in 1433 beloofde Philips van Bourgondië de stad de z.g. Vroonwateren te zullen verpachten op dezelfde voorwaarden als deze toen nog door de kinderen van heer Floris van Alkemade in huur werden gehouden, zoodra zij door sterven, schenking of anderszins aan den hertog gekomen zouden zijn 5). Dit schijnt spoedig te hebben plaats gehad; in 1435 ging de verpachting in en werd de jaarlijksche pachtsom gesteld op 75 Wilhelmusschilden d. i. 92'/2 Holl.6). De Vroon omvatte bijna alle water tot Haarlem, ook een groot stuk van de Haarlemmermeer. De jaarlijksche opbrengst (ruim 323 ltC, in de Informacie gesteld als het gemiddelde van 1510 tot 1514) valt daarvoor wel niet mee, maar een kwade koop was het niet geweest. Al was de erfpacht toen hooger geworden, nl. ruim 151 (tü 7), de stad verdiende toch nog meer dan 100 °/0 op deze bezitting.

De Informacie bewijst voor de overige steden, dat zij nog maar

1) In 1409 krijgt de stad „die visscherien van de tween sluysen binnen haeren vryhede gheleghen" : Van Mieris, IV, blz. 123. Waarom het hier ging, blijkt uit de bijvoeging, dat, wanneer er nieuwe sluizen zouden worden gelegd in den Zeeburg tussohen Amsterdam en Ypesloot, daarin „in geenre wyse" gevischt zou mogen worden. In Rotterdam behoort de Spoye aan de stad blijkens de rekeningen van 1476—'77 : Oudste Stadsr. van Rott., blz. 408, 409, 410.

2) "Van Mieris, II, blz. 848.

3) Van Mieris, III, blz. 611 (voor 11 'tt'). De stad raakte daardoor in twist met de heeren van Wassenaar, die beweerden recht te hebben op deze visscherij, voor zoover ze in het Ketelambacht lag. In 1410 werd deze haar afgestaan: Ib., IV, blz. 144. Ook in Schiedam had de graaf de visscherij : Hameker Rek. van Holland, I, blz. 214 (1334), II, blz. 29 (1343—44).

4) Blok, Holl. Stad. in de M. E., blz. 262.

5) Van Mieris, IV, blz. 1017.

6) lb., blz. 1064. Het Wilhelmus sch. — 37 gr. volgens muntordonnantie van 1434: Ib., blz. 1034. In 1456 werd de verpachting tijdelijk verpanding, doordat de stad lijfrenten terwille van den graaf opnam, maar in 1484 had zij den Vroon weer in erfpacht: Handv. v. Leiden, blz. 700 vlg., 702 vlgg.

7) lnform., blz. 237, 239.