Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hulp te verleenen bij de oprichting van een nieuwen, door eerst een hypotheek op de bestaande te verwerven en ze vervolgens aan te koopen, heeft zij zich in 1339 in het bezit van vijf dergelijke inrichtingen gesteld l).

Hiermede was het molenbedrijf „verstedelijkt". Slechts eenige lasten in naturaliën n.1. in tarwe, haver, havermout, gerstemout en 13 fj in de plaats van een gemest varken, die aan de kanunniken en aan twee kloosters opgebracht moesten worden, wezen terug naar een vroegere phase van dezen tak van nijverheid, toen deze nog berustte in handen van buiten de stad staande personen en corporaties, en naar vroegere toestanden, toen nog het naturaalverkeer overwoog. En Li'ibeck zorgde beter voor het behoud harer molens, dan de vroegere eigenaars gedaan hadden. In een pachtcontract van 1322 wordt gezegd, dat „nee in molendinis siue intra civitatem siue extra sitis molendinarii quicquam proprietatis habent nee eciam in omnibus eorum attinenciis", behoudens de molensteenen. Er mocht dus langzamerhand volstrekt geen erfelijk recht van de pachters op de molens ontstaan; zij moesten dezen na afloop van het contract weer overgeven, zooals zij ze ontvangen hadden en hadden zelfs geene pretensie op de stad wegens op eigen kosten aangebrachte verbeteringen *).

De opbrengst van de molens gaat natuurlijk steeds naar boven. De korenmolens brengen op in 1261 130 M. + 24 pond koren, in 1281 220 M., in 1298 (met een walkmolen) 1315 M.; voor 1303 tot 1307 werden ze aan drie molenaars gegeven voor 600 M. van elk en 16 pond koren3) en volgens de rekeningen sedert 1318 leveren ze op jaarlijks 2200 M. en 16 pond koren, dus ruim het zeventienvoud van voor groot vijftig jaren.

Welk een kostelijk bezit dus. De winsten, verkregen door het malen van het graan der burgers, keerden weer grootendeels tot hen terug door de pachten, die in de stadskas vloeiden; de molenaars, wier rechtschapenheid in de middeleeuwen volstrekt niet onverdacht was, stonden onder controle en voor de aanmatiging van vreemde heeren of kloosters, die zoo gaarne hun molen lieten ontaarden tot een banmolen, had men niet te vreezen.

In Lübeck nu bemerken wij reeds van den aanvang af eene , zekeren strijd tusschen de stad en den heer ten opzichte van de molens; de eerste oorkonde geeft reeds uitdrukking aan een zekere vrees voor de concurrentie, welke de oude keizerlijke molens van den stedelijken zouden ondervinden. In eene plaats, die zich minder snel ontwikkelde, zooals Hildesheim, was men begonnen in gemeen-

1) Hiervoor, behalve hot Liber molendinorum van 1281 en de Kümmereibüoher van 1316 ft'.; Ib., II, S. 1057, note 27, S. 1058, n. 28. Bovendien had de stad ook nog molens buiten de stad.

2) Ib., II, S. 379. Dit geldt ook voor de graanmolens.

3) Ib., II, S. 1042.

Sluiten