Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schappelijk overleg met den vertegenwoordiger van den stadsheer. I)e bischoppelijke advocatus en de stad hadden in 1242 samen een molen van eene geestelijke stichting, het Bartholomeussticht, gekocht en daarvan twee gemaakt, die het koren der burgers zouden malen '). Langen tijd blijft het daar stil ten opzichte van de molens, maar eindelijk in 1404 wordt zulk een groote ondersteuning van stadswege aan een burger voor den bouw van een molen verstrekt, dat men mag denken, dat de andere molens niet functionneerden, zooals men wel mocht wenschen 2). Deze gedachte wordt versterkt, doordat het toekennen dezer tegemoetkoming ervan afhankelijk gesteld wordt, of de ondernemer den molen zoo groot maakt, dat hij per etmaal minstens een voer gerst zou kunnen malen. Men zou geneigd zijn dit toe te schrijven aan het toenemen der bevolking, maar er is reden te veronderstellen, dat er aan de molens zelf ook wel wat haperde. Of die van 1242 in 1400 nog bestonden is niet meer uit te maken; van één van beide is het wel waarschijnlijk. Deze wordt door de stad van den molenaar in 1417 gekocht en daarna weer in erftijns gegeven voor 2 M. jaarlijks :1). Deze opvallend geringe som laat zich slechts verklaren door aan te nemen, dat de molen met zooveel renten belast was, dat er van het bedrijf bijna geen netto opbrengst overbleef. Zeker is dit van de beide andere molens, die in de behoeften van de burgers moesten voorzien, die van den bisschop en van het Godehardisklooster. Een register van ongeveer 1400 van den molenaar, die ze beide bezat, toont aan, op welk eene buitensporige wijze bisschop en klooster lastigen schuldeischers (en de eerste zeker ook aan geldbehoevende gunstelingen) maar steeds vorderingen daarop hadden toegewezen. Behalve de gewone tijns voor hen beiden rustten op den bisschopsmolen talrijke lasten, in koren op te brengen (vier voeren en 108 schepel), en daarnaast renten in geld ten bedrage van 227 M.; bovendien nog eenige kleine bedragen voor de kosterij, voor zielmissen en de verplichting voor den kerkvorst en zijn hof negen varkens te mesten. Van den anderen molen gingen er jaarlijks 1431/, M. en 100 Gld. aan renten 4).

Dezelfde oorzaak, die tengevolge had, dat de burgers hier niet goed meer bediend werden, maakte het de stad mogelijk zicli in de plaats van den molenaar te stellen. In 1424 nam zij de molenaarsrechten van de weduwe van den laatsten bezitter over 5).

De renten werden nu afgelost en de gemeentelijke exploitatie

1) Hildesh. Urkb., I, S. 101 f. Ze werden geen stadseigendom.

2) 1b., III, S. 51. Hij kreeg van de stad erf en huis, de noodige herstellingen aan dat laatste aan te brengen, eene schutting daaromheen en vrijstelling van schot en waken.

3) Ib., III, S. 352: De z.g. Almersmole, die zich in de stadsgracht bevond, als de in 1242 in het „fossatum civitatis" geplaatste molens. Vgl. Ib., III, S. 535.

4) Ib., III, S. 423. De dateering circa 1420 is onjuist. De hier genoemde „Cord van der Molen" is reeds voor 3 Dec. 1410 overleden: Ib., III, S. 189.

5) Ib., III, 530.

Sluiten