Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toegepast, die eerst een nadeelig saldo afwierp, maar nadat de renten afgekocht waren, aldra een aardig sommetje voor de stadsfinanciën gaf. Van 1440—1430 leverden zij, volgens de reeds vroeger aangehaalde rekeningen bijna 6 °/0 der jaarlijksche uitgaven, in 1440 t 5'/, °/#, in 1450 + 9 °/0 '). Vrij eigendom van Hildesheim zijn zij niet geworden, maar dit kon de stad vrij onverschillig zijn, aangezien de eigendomsrechten van bisschop en klooster zich niet anders openbaarden dan in het recht om een tijns te heffen, die geheel tot een zakelijken last versteend was a).

Evenals te Hildesheim was ook te Bronswijk het bezit der molens buitengewoon versnipperd. De hertog had er zooveel van weggegeven en er zooveel op geleend, dat hij ze ten slotte geheel uitgehold had en niets meer dan de schil overhield in den vorm van ijdele eigendomsrechten 3).

Ook hier begon de stad ook van onderen op, kocht eerst de molenaars uit (in 1400 van 10 molens) en loste daarna de renten af. Het verwerven van de molens en het van de hand doen der pandsloten waren, behalve het invoeren van een nauwkeuriger en zuiniger beheer, de voornaamste maatregelen, waarmee omstreeks 1400 een nieuw bewind den desolaten stedelijken boedel weer in orde zocht te brengen, die de oude patricische raad achtergelaten had. Het is na het reeds boven verhaalde overbodig nog verder in bizonderheden deze overigens zeer interessante handelingen ten opzichte van de molens te bespreken en ik vergenoeg mij ermee het resultaat ervan, zooals de schrijver van de reeds meer gemelde mémoire, de „Heimliche Rechenschaft", het vertelt, mee te deelen. Hij zegt namelijk: de Raad heeft wel 2965 M. voor de molens uitgegeven, maar „de molen synd dem Rade wol veerdusend marken werd und beter" 4).

Eenvoudiger dan in al deze steden ging het in Hannover, waar maar één molen was. Toen de stad dien in 1347 gekocht had, had zij dadelijk het geheele bedrijf in handen, en daarbij een stadseigendom, dat in gunstige jaren zelfs 2O°/0 van alle ontvangsten opbracht5). Uit het voorgaande blijkt voldoende, dat het voor de

1) Daarbij bezit de atad nog een kleinen molen, den Honaermolen, die doorgaans met verlies werkt. Rekent men dien erbij, dan wordt het percent voor 1440—1450 5'/3 °/0, voor 1440 ruim 4 °/0, voor 1450 0 °/0.

2) De stad had ook nog eenige andere „Naturalzinse" onafgelost gelaten, en leverde jaarlijks '200 schepel tarwe aan het klooster Marienrode, 3 voer rogge aan de slaapscholieren van den Dom, 3'2 voer -+- 3 sohepel rogge in 's bisschop» kamer, 3 voer + 16 schepel tarwe aan het Godehardisklooster en mestte 9 varkens voor den bissohop. Een voorbeeld van eene stad, die molenbezit had in de derde hand, levert Halberstadt. De molen van 't Bonifaciuskapittel was in leen gegeven aan een vicaris en die gaf hem eerst aan een burger, daarna aan de stad in erftijns: Halb. Urkb., II, S. 425 ff., ook II, 223 f.

3) De molens waren hertogelijk: Mack, Finanzverwaltung, S. 44.

4) Stadte Chroniken, VI, Heiml. Reoh., Cap. XXIV, S. 200—207. Vgl. S. 183.

5) Ulrich, Hannover, S. 57.

Sluiten